Honderd jaar van betekenis voor de wetenschappelijke vorming
Honderd jaar van betekenis voor de wetenschappelijke vorming

Honderd jaar van betekenis voor de wetenschappelijke vorming

De roep om emancipatie van het katholieke volksdeel mag zijn verstomd, de waarden die de universiteit bij haar oprichting had, werken nog altijd door in de organisatie. Ook in de wetenschap, zien Radboud-onderzoekers. “Onze wortels laten zich niet verloochenen, en dat hoeft ook niet.”

Begin tiende eeuw was Radboud aartsbisschop van Utrecht. Hij bevorderde de wetenschappen en werd later beschermheilige van de katholieke wetenschapsbeoefening. Doet de Radboud Universiteit haar naamgever vandaag de dag nog eer aan? José Sanders, hoogleraar Communicatie in organisaties, denkt van wel. “Die wortels laten zich niet verloochenen, en dat hoeft ook niet. Organisaties als de onze worden, vaak langer dan ze zelf in de gaten hebben, gekenmerkt door waar ze vandaan komen.”

“Wetenschap is zoeken naar kennis en het toetsen van theorieën”, legt ze uit. “Daar is op zichzelf niets katholieks aan, afgezien misschien van het feit dat het christendom ‘waarheid’ als kernwaarde hoog in het vaandel heeft. Natuurlijk kunnen we niet alles onder- zoeken, maar onze onderwerpkeuze als weten- schappers kan wél zijn ingegeven door gemeenschappelijke waarden.”

Menselijke waardigheid

In navolging van die waarden kunnen wetenschappers in een katholiek gewortelde organisatie zich bij keuzes laten leiden door de vier kernwaardes van de katholieke sociale leer (zie kader; een ervan is het bonum commune: het welzijn van allen oftewel het algemeen belang), en door het beginsel van de menselijke waardigheid.

Onderzoeken met een zekere maatschappelijke urgentie die deze waarden tot uitdrukking brengen, telt de Radboud Universiteit voldoende: van toekomstbestendige dijken en privacyvriendelijke systemen tot effectieve leermethoden voor kinderen met dyslexie. Natuurlijk is er ook genoeg onderzoek dat zich niet door die waarden laat leiden, erkent Sanders. En of de Radboud Universiteit nu méér van dit soort wetenschap bedrijft dan andere universiteiten, durft ze niet te zeggen. “Dat is op zichzelf een onderzoek waard! Maar waar wetenschap wordt bedreven met wortels in katholieke waarden, kan er wel een bepaalde gevoeligheid voor deze thema’s zijn.”

Vier kernwaardes

  • bonum commune - het welzijn van allen oftewel algemeen belang
  • solidariteit - de onderlinge (lots)verbondenheid
  • subsidiariteit - de verantwoordelijkheid leggen daar waar hij gedragen kan worden (in een organisatie: zo laag mogelijk)
  • menselijke waardigheid -iedere individuele persoon heeft een eigenheid en eigen waarde

Meertalige kinderen

Een mooi voorbeeld van maatschappelijk relevant onderzoek is dat van taalwetenschapper Sharon Unsworth. Ze onderzoekt hoe meertalige kinderen talen leren en hoe die kinderen het best geholpen kunnen worden in hun ontwikkeling. Dat past volgens Unsworth prima bij een universiteit die veel waarde hecht aan emancipatie: de energie van honderd jaar geleden om katholieke kinderen betere kansen te geven, is herkenbaar in háár energie om meertalige kinderen bij te staan. “Er valt op dit gebied nog genoeg te ontdekken. Daar wil ik aan werken en deze universiteit biedt daar ruimte voor.”

Al in haar kindertijd was de van oorsprong Britse onderzoeker gefascineerd door taal. Vreemde talen associeerde ze met verre reizen en de wereld ontdekken. Als onderzoeker verdiepte ze zich steeds meer in meertaligheid bij kinderen. “Ik vond het zo bijzonder om te zien dat kinderen zo makkelijk een taal kunnen leren – en ook twee tegelijk. Hoe doen ze dat?” Bovendien zag ze dat kennis over meertaligheid niet altijd op de juiste plek terechtkomt.

Kinderen die pas later in aanraking met het Nederlands komen, hebben het soms lastiger, omdat ze die taal nodig hebben om op school te functioneren en te leren. Het antwoord daarop is niet om ouders te vertellen dat ze met hun kind Nederlands moeten praten, maar dat ze veel moeten praten, in welke taal dan ook. Unsworth: “Ik hoorde dat een Turkse ouder die nog niet zo lang in Nederland woonde, het advies van het consultatiebureau kreeg om thuis vooral Nederlands met de kinderen te spreken. Maar uit onderzoek weten we dat het voor de Nederlandse taalontwikkeling van kinderen beter is wanneer ze ook hun thuistaal goed beheersen. Bovendien is dat beter voor hun sociale en emotionele welzijn.”

Met haar onderzoek hoopt Unsworth bij te dragen aan een goede begeleiding van meertalige kinderen door ouders, leerkrachten en logopedisten. Met succes. “Ook in het onderwijs groeit het besef dat je beter gebruik kunt maken van de twee talen die een kind spreekt. Als je in de klas ook eens ‘hallo’ zegt in een andere taal, voelen anderstalige leerlingen zich sneller thuis. En het geeft hun zelfvertrouwen, omdat zij iets weten wat een ander niet weet.”

Andere vragen stellen

Volgens José Sanders is het goed om stil te staan bij de emancipatoire oorsprong. “Een organisatie die haar wortels kent, begrijpt zichzelf beter. Dat kan de universiteit ook nu nog richting geven.” Ze ziet vooral een opdracht in het betrekken van verschillende groepen mensen bij onderzoek en onderwijs. “Dat kunnen we nog meer doen. Mensen uit groepen waaruit we nu nog weinig studenten en medewerkers hebben, kunnen andere vragen stellen. Wanneer we als universiteit een significant impact willen hebben, hebben we mensen nodig die ons de weg kunnen wijzen in onze brede samenleving, die laten zien waar de relevante vragen zich voordoen.”

Unsworth deelt die overtuiging. Om haar wetenschappelijke kennis meer ten goede te laten komen aan mensen die er wat aan hebben, ging ze samenwerken met maatschappelijke partners, zoals bibliotheken. Met hen en met haar collega’s organiseert ze het taalfestival Kletskoppen en programma’s voor kinderen die minder snel met wetenschap in aanraking komen. “Ik wil kinderen bereiken die nog niet bedacht hebben dat zij ook wetenschapper zouden kunnen worden, bijvoorbeeld omdat ze een meisje zijn, er anders uitzien of nog niet zo goed Nederlands spreken”, aldus de onderzoeker. In 2021 ontving Kletskoppen subsidie van de Nationale Wetenschapsagenda, waarmee de initiatiefnemers in de regio’s Rivierenland, Transvaal (Den Haag) en Parkstad Limburg activiteiten organiseren voor kinderen die een migratieachtergrond of laagopgeleide ouders hebben.

Opgestroopte mouwen

De emancipatoire opdracht om meer groepen bij onderwijs en onderzoek te betrekken is mooi, maar vereist volgens Unsworth dat je benaderbaar bent. “Laatst zei een bibliotheekmedewerker in Transvaal tegen me: wat ben jij eigenlijk een normaal mens. Je loopt met opgestroopte mouwen rond en je praat normaal.” Dat is ook de kracht van een eerstegeneratiestudent, denkt ze. “Ik was de eerste in mijn familie die een universitaire opleiding volgde en moest thuis echt mijn best doen om uit te leggen wat ik deed.”

Het is volgens de taalwetenschapper de taak van de universiteit om over onderzoek te communiceren met mensen buiten de wetenschap. “Ik denk dat je een betere onderzoeker bent als je aan een negenjarige kunt uitleggen wat je onderzoekt en waarom. Zeker een universiteit als de onze, die zich laat voorstaan op haar waarden, moet onderzoekers daarin ondersteunen.”

 

Impopulaire conclusies

José Sanders – tevens eerstegeneratiestudent én Radboud-alumnus – stelt zich de vraag hoe haar onderzoek verbonden is met de katholieke waarden. Niet alleen wát je onderzoekt, maar ook hóé je dat doet, kan een afspiegeling zijn van die waarden. “Voor mijn kwalitatieve onderzoek heb ik vaak interviews gehouden. Daarbij is altijd de vraag: is mijn respondentengroep breed genoeg? Doe ik in mijn onderzoek recht aan de waardigheid van mensen die ik gesproken heb? En: als ik iets concludeer dat een deel van mijn respondenten niet bevalt, mag ik die conclusie dan toch trekken?” Daarvoor moet je als onderzoeker soms stevig in je schoenen staan, zeker in tijden van polarisatie. Wetenschappers moeten voor elkaar opkomen in de zoektocht naar nieuwe inzichten, ook als die inzichten niet populair zijn. “Als moderne mensen hechten we in ons individuele leven waarde aan vrijheden die soms op gespannen voet staan met het bonum commune en de toekomst”, stelt de communicatiewetenschapper. “Wetenschap beoefenen die geworteld is in katholieke waarden betekent misschien dat je je eigen handelen in overeenstemming brengt met wat je voor waar en goed houdt en daarin verbinding zoekt met anderen door goede communicatie. Wij kunnen nog zulke scherpe inzichten en toekomstmodellen aandragen, als deze door het brede publiek niet verstaan worden, leidt dat tot onbegrip of zelfs conflict, en dan ben je met z’n allen veel verder van huis.”

Tegendraadsheid

Wetenschappers aan de Radboud Universiteit hoeven echt niet door andere hoepels te springen dan bij andere universiteiten, zegt Sanders. “Maar mensen die hier komen werken, merken misschien wel dat er een bepaalde sfeer heerst. Dat heb ik ook gemerkt. Ik hoop dat mensen die de organisatie binnenkomen, zich gezien voelen.”

Zo heeft Unsworth dat in elk geval wel ervaren. “Wat mij opvalt, is dat het een gezellige universiteit is. Mensen praten met elkaar. Vóór corona was er hier op de verdieping altijd om 11.00 uur koffie, en collega’s trakteren als ze jarig zijn. Als mensen je in het trappenhuis groeten, ga je met meer plezier naar je werk. Ik heb het gevoel dat ik gewaardeerd word en de ruimte krijg om te doen wat ik wil.” Ze vermoedt dat de ligging daarbij ook een rol kan spelen. “Als universiteit buiten de Randstad vorm je misschien makkelijker een eigen identiteit.”

De Radboud Universiteit heeft een zekere tegendraadsheid, denkt ook Sanders. “Formaliteiten hebben we hier ook, maar er is soms net iets meer speelruimte. Misschien ligt daaraan nog wel het katholieke principe van subsidiariteit ten grondslag: het zo laag mogelijk in de organisatie neerleggen van verantwoordelijkheden, daar waar ze gedragen kunnen worden. Er is bijvoorbeeld veel autonomie voor faculteiten. Dat brengt een bepaalde eigenzinnigheid met zich mee.” Een keerzijde daarvan vindt Sanders dat de organisatie soms gesloten is. “Dat we bijvoorbeeld een vrij witte organisatie zijn, heeft misschien met de demografie van de regio te maken, maar wellicht ook met enige geslotenheid. We mogen meer ons best doen om de buitenwereld naar binnen te halen en we kunnen meer samenwerken. Het emancipatoire aspect van de Radboud Universiteit is niet alleen van toepassing op mensen met een migratieachtergrond. Het geeft ook een actuele uitdaging om de connectie te maken met niet-Randstedelijke gebieden. Juist de Nijmeegse universiteit kan studenten uit de regio’s, en specifiek de eerstegeneratiestudenten onder hen, een volle kans geven. Daarmee kunnen we echt een verschil maken.”

Dit artikel is geschreven door Wies Bakker en staat ook in de speciale lustrumeditie van Radboud Magazine. De foto's zijn gekozen uit de collectie van de Radboud Universiteit. Personen op de foto hebben geen relatie tot dit artikel.

Contactinformatie

Thema
Samenleving, Radboud toen en nu, Wetenschap