Tot en met groep 2 zat Victor van Boxtel (30) op een reguliere basis- school. Totdat zijn leraar merkte dat hij motorisch achterbleef. Door een zeldzame erfelijke aandoening – het ADCY5-syndroom, zo bleek twee jaar geleden pas – maakt Victors lichaam ongecontroleerde bewegingen. “We kunnen hem niet de juiste begeleiding geven”, kregen zijn ouders te horen en zo kwam Victor op een mytylschool, een school voor speciaal onderwijs terecht. Ook daar bleek hij een buitenbeentje omdat hij, anders dan de andere leerlingen, geen duidelijke diagnose had. “‘Dus je stelt je aan’, vroegen medeleerlingen me dan.” De mytylschool leidde leerlingen door naar het Stedelijk College Eindhoven, waarbij ze al te hoge ambities de kop indrukte. Zo belandde Victor op vmbo-k, een van de laagste leerwegen. ‘We willen vooral dat onze leerlingen gelukkig zijn’, heette het. “Maar het maakte me niet gelukkig om voortdurend te horen wat ik niet kon. Ik vond school toen echt niet leuk.”
Zie het potentieel
Een van de inzichten van onderwijswetenschappers over kansengelijkheid is dat hoge verwachtingen essentieel zijn. Ook Eddie Denessen, hoogleraar Onderwijs en sociale ongelijkheid aan de Radboud Universiteit, benadrukt het belang daarvan. “Het is de kunst om als leraar het potentieel van leerlingen te zien, en te kijken voorbij handicaps of sociale afkomst.”
Zijn onderzoek spitst zich toe op dat laatste. Want leerlingen met eenzelfde intelligentie, maar andere sociale achtergronden hebben nog steeds verschillende schoolloopbanen. Denessen en collega’s hebben het failliet van het meritocratische ideaal – als je maar je best doet, kom je er wel – al vaak aangetoond. Het blijkt domweg niet waar dat je best doen voldoende is. Je hebt steuntjes in de rug nodig, van ouders en leraren. “In het onderwijs, van basisschool tot en met universiteit, krijg je kansen om je te ontwikkelen, maar kom je ook drempels tegen. En sommigen komen meer drempels tegen dan anderen.” Prestaties van leerlingen zijn niet alleen de vrucht van eigen inzet, maar ook van ouderlijke kenmerken, zoals inkomen, cultureel kapitaal en opleidingsniveau.
Vooral dat laatste is een belangrijke voorspeller van iemands schoolloopbaan. Het ene kind komt op school of universiteit in een gespreid bedje, de ander moet zich erdoorheen vechten. Of zoals Denessen het formuleert: de opportunities to learn zijn niet voor iedereen hetzelfde. “Kinderen van hoogopgeleide ouders krijgen veel leermogelijkheden buiten de school. Bijvoorbeeld omdat hun ouders meer met hen praten, hun voorlezen, naar musea gaan en in het buiten land op vakantie gaan. Kinderen komen al ongelijk de kleuterklas binnen en de school kan dat maar ten dele compenseren.”
Denessen startte samen met de Universiteit van Amsterdam het project ‘Koersen op kansengelijkheid’. Doel daarvan is om in twee pilots, in Venlo en Leiden, te kijken hoe je samen met alle betrokken partijen – beleidsambtenaren, schoolbesturen en -directeuren en leraren – drempels kunt wegwerken. “We willen vanuit gezamenlijke verantwoordelijkheid tot oplossingen komen in plaats van dat iedereen naar elkaar wijst.”
Naast onderzoek geeft Denessen veel lezingen op scholen om leraren bewust te maken van wat zij kunnen bijdragen aan meer kansengelijkheid. Een van zijn boodschappen is: blijf hoge verwachtingen koesteren en sluit leerlingen niet op in vaste niveauhokjes. “Ik vind het mijn taak als wetenschapper om dit verhaal steeds te vertellen, want ik hoor veel retoriek en argumenten zonder kennisbasis. Soms voel ik me een repeterende plaat, maar ik kan het niet vaak genoeg zeggen. En uiteindelijk komen boodschappen aan en gaan scholen erover nadenken.
Dan zie je kleine bewegingen. Bijvoorbeeld dat scholen gaan nadenken over verbreding van de onderbouw, of optimistischer worden over de leermogelijkheden van kinderen met laagopgeleide ouders.”
Geef het beste onderwijs
Wat scholen in elk geval kunnen doen om te werken aan eerlijke kansen is goed lesgeven, stelt Erik Meester, en dat vraagt om goed geschoolde leraren. Daarom hielp hij Anna Bosman, hoogleraar Leren en ontwikkeling, om PWPO op te richten, de eerste en enige volledig universitaire bacheloropleiding tot leraar in het basisonderwijs. Meester werkt inmiddels bij de bijbehorende master Curriculumontwikkeling. “Onze alumni gaan het onderwijs verbeteren”, belooft hij.
De PWPO-alumni zijn getraind in een evidence based aanpak voor lesgeven, met duidelijke instructie, geleidelijk inoefenen van vaardigheden, veel interactie met en feedback van leraren en veel aandacht voor kennisopbouw. “Goed onderwijs begint met doen wat werkt, zodat elk kind goed kan leren lezen en rekenen, en voldoende kennis opdoet om de wereld te begrijpen”, stelt Meester.
Belangrijke inzichten uit de leerpsychologie liggen al jaren op tafel, maar landen nog niet echt in scholen – en vaak ook niet op pabo’s en andere lerarenopleidingen. Daar wil PWPO dus verandering in brengen. Want kinderen van hoogopgeleide ouders redden het doorgaans wel ondanks school, maar andere leerlingen hebben goed onderwijs keihard nodig. Meester: “Als jij slecht onderwijs geeft, benadeel je kinderen van laagopgeleide ouders. En we kunnen wel alles aan leerlingen toeschrijven en labels als dyslexie en ADHD plakken, maar laten we eerst eens naar ons eigen handelen kijken. Dat verantwoordelijkheidsgevoel mis ik weleens bij scholen.” Meester begeleidt scholen om hun onderwijs te verbeteren. Hij droeg bij aan een recent succes in Aldenhof, een van de armste wijken in Nijmegen. “Vorig jaar scoorden leerlingen daar gemiddeld een vijf en behoorden ze tot de onderste twintig procent van Nederland. Een jaar later zitten ze in de bovenste tien procent. Het is niet de eerste keer dat we dit met onze evidence based aanpak voor elkaar krijgen.”
Net als Denessen hamert Meester op het belang van hoge verwachtingen. “Kinderen kunnen echt slimmer worden, als jij maar goede instructie, begeleiding en feedback geeft. En ja, dat geldt op de universiteit net zo goed.”
Victor was dus niet gelukkig op het vmbo-k. Hij wilde meer. Met steun van zijn ouders greep hij, na de mytylschool, een tweede kans: in het voortgezet algemeen volwassenenonderwijs (vavo, voorheen ook wel moedermavo genoemd). “Mijn begeleider vanuit de mytylschool zei dat dat te hoog gegrepen was. Maar ik wilde laten zien dat ik het wel kon.” Op het vavo kreeg hij goede begeleiding en, belangrijker, vertrouwen. Toen hij na twee jaar zijn vmbo-t-diploma haalde, zei zijn mentor: volgens mij kun jij ook wel havo aan. Dat diploma haalde hij in twee jaar en daarna binnen een jaar ook de benodigde vwo-certificaten. De weg naar de universiteit lag open.
Stop het niveaudenken
Twee jaar geleden werkte Denessen mee aan het advies ‘Later selecteren, beter differentiëren’ van de Onderwijsraad, met daarin een pleidooi voor latere selectie. Want dat, zo laat onderzoek keer op keer zien, vergroot de kansengelijkheid. In Nederland worden leerlingen na groep 8 verspreid over gescheiden onderwijsniveaus. In veel andere landen gebeurt dat pas rond het vijftiende jaar. “Nederland is wereldkampioen stratificatie”, zoals Denessen zegt.
De probleemanalyse van de raad – we selecteren te vroeg – wordt breed gedeeld, maar de oplossing is voorlopig nog een brug te ver in Nederland, en dat heeft alles te maken met sentimenten. Van mensen die meteen weer de middenschool zien opdoemen. Van gymnasia die vrezen voor hun voortbestaan. En van ouders die bang zijn dat hun vwo-kind de dupe wordt – al heeft onderzoek al lang laten zien dat álle kinderen, ook de slimme, floreren in een heterogene klas. Denessen: “We pleiten ook helemaal niet voor een uniforme brij waarin iedereen hetzelfde moet leren. Het gaat vooral om slim differentiëren en niet kinderen op voorhand al determineren.”
Het advies leidde wel tot de brede brugklasbonus, geld waarmee scholen voor voortgezet onderwijs kunnen werken aan een brede, gemengde onderbouw. Denessen: “Ik ben nu met een aantal scholen bezig om dat traject te monitoren: wat hebben ze nodig om een brede brugklas succesvol in te richten?”
Denessen graaft een laagje dieper en wijst erop wat het gestratificeerde systeem met ons denken doet. “Er zijn al diverse gemeenteraden die hebben besloten dat je de termen hoog- en laagopgeleid niet meer mag gebruiken, omdat die stigmatiserend zouden werken. Maar eigenlijk verdoezel je dan met andere woorden wat staande praktijk is. Zolang je leerlingen op basis van hun prestaties indeelt in een gestratificeerd onderwijssysteem, heb je te maken met ongelijkwaardigheid. Als je beter moet presteren om naar de universiteit te gaan dan naar het hbo, dan heeft de universiteit een hogere status, ben je meer waard als je daarheen kan en is je omgeving trotser op je. Minister Dijkgraaf kan wel zeggen dat het mbo gelijkwaardig is aan het hbo en dat weer aan de universiteit, maar dat is niet zo.”
Dat niet iedereen op hetzelfde niveau leert, is evident, maar dat wil niet zeggen dat je een niveau bént, stelt Denessen. “We denken te gefixeerd over niveaus. Je kunt bij Engels vwo aankunnen en bij wiskunde havo, en binnen wiskunde goed in algebra zijn en slecht in meetkunde. Of in het voorjaar hier en in het najaar daar staan. Niveaus zijn flexibel en je moet je onderwijssysteem zo inrichten dat je steeds de beste match vindt tussen leerling en leerstof. Dus flexibilisering is voor scholen het toverwoord om te werken aan gelijke kansen.”
Victors eerste keuze was geschiedenis, maar het werd toch religiewetenschappen, aan de Radboud Universiteit. Vanwege de kleinschaligheid. “Ik heb me hier nooit een nummer gevoeld, maar altijd een persoon.” Alleen het contact met medestudenten verliep stroef. Die leken toch vooral zijn handicap te zien. Zo wilde zijn mentormama liever niet dat hij meeging op introductieweekend. “Of ik niet mijn moeder of zus mee kon nemen om voor me te zorgen. Dat wilde ik niet. Ik was 22 jaar, kom op zeg! En ik heb ook helemaal geen verzorging nodig.” Hij voelde zich steeds meer buitengesloten. Op advies van de studieadviseur hield hij een presentatie tijdens een tutorbijeenkomst. Maar dat had een averechts effect.
Inclusieve universiteit
Rona Jualla-van Oudenhoven is sinds 2020 chief diversity officer aan de Radboud Universiteit, en daarmee aanjager van een inclusieve universiteit. Ze kan alvast melden: zo’n groep waar Victor behoefte aan had, is er inmiddels. “Maar misschien mag die nog zichtbaarder worden.” Andere piketpaaltjes zijn onder meer het onder- tekenen van charters en convenanten voor meer diversiteit en inclusie, het samen met studenten opzetten van het Anti- Racism Awareness Network en het ontwikkelen van een module voor medewerkers en studenten om discriminatie en ongewenste intimiteiten tegen te gaan.
Inclusie betekent dat iedereen zich aan de universiteit moet kunnen thuis voelen, ongeacht gender, (etnische) achtergrond of vermogens. “We zijn allemaal lid van de universitaire gemeenschap en dat moet een veilige plek voor iedereen zijn.” Dat kun je onder andere bereiken door meer stemmen aan de overlegtafel. Maar soms ook door aparte ruimtes (virtueel of live) in te richten voor mensen die daar behoefte aan hebben. “Dat moet ik vaak verdedigen”, vertelt Jualla-van Oudenhoven. “De hele universiteit is toch een safe space? Niet dus. Dat is wel het ideaal, maar nog niet overal en voor iedereen realiteit.” Hetzelfde geldt voor equity, gelijkwaardigheid of representativiteit. “Soms is een situatie zo scheefgegroeid dat acties, zoals positieve discriminatie, nodig zijn om iedereen gelijke kansen te geven.”
Jualla-VanOudenhoven werkt vooral bottom-up. Iedereen kan bij haar aankloppen en ze probeert dan dingen te regelen of mensen bij elkaar te brengen. Mensen melden zich met zeer uiteenlopende vragen, van hoe de universiteit zich meer kan bekommeren om vluchtelingen tot een student in een rolstoel die zegt dat er nog wel wat te verbeteren valt aan de toegankelijkheid van gebouwen. Dat laatste vormde het startschot voor het Disabilities and Accessibilities Committee (DAC).
Mensen zeggen vaak tegen haar: we zijn toch allemaal hetzelfde? “Het is mooi om te zeggen: ik zie geen kleur of geen handicap, alleen maar mensen. Maar de realiteit is dat niet iedereen dezelfde kansen krijgt en daarom moeten we zoveel mogelijk drempels slechten, letterlijk en figuurlijk.” Ze herkent helemaal wat Denessen zegt over de invloed van sociaal-economische herkomst op gelijke kansen. “Als je wilt werken aan diversiteit, equity en inclusie, moet je oog hebben voor geïnstitutionaliseerde ongelijkheid. Het is nooit een individueel verhaal.”
Inclusie heeft ook te maken met je curriculum en wat voor mensen je opleidt. Marleen Koster, vijfdejaars geneeskunde, is voorzitter van CODING. Dat is een landelijk collectief voor diversiteit en inclusie in de geneeskunde, dat twee jaar geleden mede is opgezet door hoogleraar Maria van den Muijsenbergh. Het collectief richt zich op netwerkvorming en bewust wording. Zo kijkt Koster mee met de projectgroep die het Nijmeegse geneeskundecurriculum inclusiever wil maken. “Bij dermatologie moet bijvoorbeeld ook aandacht komen voor specifieke kenmerken van de zwarte huid en bij gynaecologie moet je rekening houden met de seksuele geaardheid van mensen”, vertelt Koster. “Door het te verweven in het hele programma wordt het niet iets anders of afwijkends, maar iets wat erbij hoort. Zeker als je niet alleen een zwarte patiënt of vrouw opvoert als dat voor een medische casus relevant is, maar ook als het bijvoorbeeld over leverproblemen of voetklachten gaat.” Zo zorg je er niet alleen voor dat alle studenten zich gezien voelen binnen de opleiding, maar ook dat je artsen opleidt die weten om te gaan met een steeds diverser wordende patiëntenpopulatie. “Het is belangrijk om mensen als persoon te zien en hen open en nieuwsgierig tegemoet te treden. Dan kun je goede zorg geven.”
Kansen voor vluchtelingen
Een van de dingen waar de medische faculteit ook voor ijvert, is betere opvang en begeleiding van vluchtelingartsen. Dat dat hard nodig is, bewijst het verhaal van Pavel Stotcko (33). Hij was algemeen chirurg en beleidsadviseur public health in Moskou. Totdat hij in het buitenland trouwde met zijn vriend en dit Russische homohuwelijk veel media-aandacht kreeg. “Poetin en zijn vrienden vonden dat niet leuk en stuurde na onze terugkomst in Moskou de politie op ons af.” Nadat hun paspoorten in beslag waren genomen, vluchtten Stotcko en zijn partner op advies van hun advocaat zo snel mogelijk het land uit en belandden ze in een azc in Nijmegen.
Stotcko wilde hier zo snel mogelijk weer aan de slag als arts. De eerste horde, Nederlands leren bij Radboud in’to Languages, nam hij soepel. Maar daarna werd het moeizamer. “Volgens de internationale diplomawaardering had ik het niveau van een eerstejaars masterstudent. Die waardering kijkt alleen naar diploma’s, niet naar werkervaring.” De voorgeschreven route is dan om een assessment met tal van kennistoetsen te doen, een traject van drie tot vijf jaar dat vluchtelingen geheel zelfstandig en zonder begeleiding moeten doen. Maar Stotcko had geluk. Tijdens een gesprek met de studieadviseur bleek dat er iemand uitgevallen was in de master en Stotcko mocht zijn plaats innemen.
Inmiddels is hij aan zijn laatste coschap bezig en kijkt hij terug op een zeer pittige tijd. “Ik werd behandeld alsof ik een Nederlandse student was en kreeg geen extra hulp of uitleg. Dat was erg moeilijk, ik snapte het systeem niet altijd goed. Vraag maar aan je medecursisten, kreeg ik te horen van de artsen in het ziekenhuis.”
Tegelijkertijd kon hij als buitenlandse arts dingen beter dan anderen. Zoals communiceren met Oekraïense vluchtelingen, niet alleen omdat hij Russisch spreekt, maar ook omdat hij zich beter in hen kan inleven dan de gemiddelde arts. “Nederlandse artsen gaan uit van mondige patiënten, maar veel vluchtelingen zijn dat niet gewend. Ze verwachten dat de arts het beter weet en accepteren alles wat hij of zij zegt.”
Mede daarom werkt Stotcko mee om bachelorstudenten beter voor te bereiden op werken met buitenlandse patiënten. “In Rusland bijvoorbeeld moet je bijbetalen als je goede zorg wilt hebben. Daarom zijn mensen wantrouwig tegenover gratis zorg, want die kan nooit goed zijn. Ook zijn ze gewend dat artsen altijd medicijnen voorschrijven. Je zult moeten uitleggen hoe het hier werkt, anders komt de patiënt nooit meer terug.”
Stotcko wil zich straks specialiseren in de psychiatrie en er is al een ziekenhuis dat hem graag wil hebben. Hij heeft geluk gehad, zegt hij. Direct meelopen in de praktijk als coassistent of stagiair zou wat hem betreft de manier moeten zijn om vluchtelingartsen snel een plek in de Nederlandse samenleving te geven. “Ik wil graag meehelpen om het systeem voor anderen beter en toegankelijker te maken.” Zijn boodschap als het gaat om kansen voor vluchtelingen: “Ik verwacht niet dat iedereen zich aan mij aanpast. Maar ik verwacht wel respect en begrip dat het hartstikke moeilijk voor mij was.”
In juni 2022 studeerde Victor af als religiewetenschapper. Hij is nu tijdelijk medewerker bij het onderwijsbureau van deze opleiding. “Ik ben mondiger geworden. Vanaf de master voelde ik me eindelijk gezien en had ik het idee dat ik ertoe deed. Je hebt mensen nodig die door je beperking heen kijken, zoals mijn ouders, de docenten van het vavo en de universiteit. Wat ik andere mensen die anders zijn dan wat ‘normaal’ wordt geacht, wil meegeven: geef niet op.”
Dit artikel is geschreven door Bea Ros en staat ook in de speciale lustrumeditie van Radboud Magazine. De foto's zijn gekozen uit de collectie van de Radboud Universiteit. Personen op de foto hebben geen relatie tot dit artikel.