De vervolging van Joden, Roma en Sinti tijdens de Tweede Wereldoorlog was een groot onrecht. De Duitse bezettingsmacht ontnam de slachtoffers stapsgewijs hun burgerrechten, bezittingen en uiteindelijk het leven. Na de bevrijding was er in de Nederlandse samenleving niet veel ruimte voor het leed van vervolgingsslachtoffers. Zurné: ‘Wie terugkeerde uit concentratiekampen of onderduik werd soms ronduit kil ontvangen. Hoe kunnen we ervoor zorgen dat we vandaag de dag wél ‘recht doen’ aan de ervaring van Holocaustslachtoffers?’
Het onderzoek van Zurné gaat over recht en rechtvaardigheid, toegespitst op de ‘kleine criminaliteit’ tijdens en vlak na de Tweede Wereldoorlog. Majeure zaken over aanslagen, verzet en onderduik lagen in handen van Duitse rechtbanken, maar zaken als diefstal en verduistering werden veelal afgehandeld door lokale rechtsinstellingen. Zurné: ‘Deze wetshandhavers waren opgeleid met Nederlandse opvattingen over de rechtsstaat. Dan is het interessant om na te gaan hoe deze mensen zich hebben aangepast aan omstandigheden van groot onrecht.’
‘Heel andere logica’
Zurné probeert de handelswijze van de Nederlandse rechtssprekers te begrijpen, juist in tijden van Jodenvervolging en ander groot onrecht in de oorlog. Hoe valt hun leerschool, met groot gewicht voor burgerrechten en individuele vrijheden, te rijmen met hun optreden tijdens de bezetting? ‘In nazi-opvattingen over recht stond het belang van de gemeenschap centraal, wat daar niet binnen paste was van ondergeschikt belang. Een heel andere logica.’
Bij veel rechtszaken tijdens de bezetting kwam dit überhaupt niet aan de orde. En niet alle Nederlandse rechters voegden zich in de nazi-logica, benadrukt Zurné. Wie dat wél deden, beriepen zich op een andere pijler onder hun taakopvatting: het handhaven van de openbare orde. ‘De bezettingsmacht hanteert weliswaar heel andere regels, maar er wordt dan toch een taak gezien om ook deze regels te handhaven, waardoor opvattingen over wat rechtvaardig is naar de achtergrond kunnen verdwijnen.’
Stapje voor stapje
Wat ook een rol speelt in de in onze ogen vergaande aanpassingen, is de geleidelijkheid van de Duitse maatregelen: er was een jaren durende aaneenschakeling van verboden, van uitsluiting in bepaalde gebieden tot ontslag tot vernielingen. Zurné: ‘Al die stappen, al die verboden: mensen konden daar blijkbaar stapje voor stapje in meegaan. Er is in die eerste stappen ook nog geen zicht op de enorme onrechtvaardigheid van uitsluiting, deporatie en moord.’
De lezing van Zurné vormt de opmaat bij de Holocaust Memorial Day op 30 januari, elk jaar in de aula kracht bijgezet met een herinnering van een ooggetuige of nabestaande. Dit jaar verhaalt Janny Schinkel-Jacob over haar eerste oorlogsjaren als kind in een gezin in Nijmegen-Oost, dat in angst leefde vanwege het oppakken van haar Joodse vader en halfzus (haar vader werd inderdaad gedeporteerd, maar zou de oorlog overleven). Radboud-Holocaust-onderzoeker Ria van den Brandt gaat met Janny Schinkel-Jacob in gesprek. De muzikale omlijsting wordt verzorgd door violist Thomas Ruffmann.
30 januari, 20.00 – 21.30 uur: Hoe mijn halfzusje uit Nijmegen verdween | Holocaust Memorial Day Getuigenis door Janny Schinkel-Jacob (gesprek met Ria van den Brandt) - Radboud Reflects. Aula. Radboud Universiteit. Inleidende rede van Jan Julia Zurné: Recht doen aan onrecht in het verleden.
Foto: Wikimedia Commons