‘Het taalgebruik van de politicus is begrensd’
‘Het taalgebruik van de politicus is begrensd’

‘Het taalgebruik van de politicus is begrensd’

De Tweede Kamer blijft worstelen met de grenzen van het betamelijk debat. Moet alles gezegd kunnen worden, en zo nee: waar ligt dan de grens? De Kamer probeerde onlangs opnieuw de lijnen te trekken. Politiek en parlementair historicus Carla Hoetink (Radboud Universiteit) legt uit waarom dit zo ingewikkeld is.

De notulisten van de Tweede Kamer hoeven niet meer op te schrikken als ze in de verslaglegging van het Kamerdebat iets als ‘koppenvoddentaks’ moeten optekenen. Ook ‘klimaatpsychopaat’ ligt al een tijd achter ons, net als de dreiging met ‘tribunalen’ en –  recent – de insinuatie als zou minister Kaag een spion zijn. De opeenstapeling van persoonlijke beledigingen en – vooral – bedreigingen  motiveerde de Kamer eind vorige maand tot een aanscherping van het Reglement van Orde. Carla Hoetink, universitair docent politieke geschiedenis, schreef in 2018 een boek over de parlementaire mores, Macht der gewoonte. Niks nieuws onder de zon, zo verwijst ze naar vergelijkbare taal die al bijna honderd jaar geleden tijdens Kamerdebatten werd gebezigd. ‘Maar we moeten niet door een ondergrens zakken.’

Hoe diep gaan de wortels van de straattaal in het parlement? ‘Met de uitbreiding van het kiesrecht, ruim een eeuw geleden, steeg voor het eerst het aandeel minder hoogopgeleiden in de Kamer. Vooral in de hoek van de socialisten en communisten. Die namen de straattaal mee naar het parlement. Op zich niet verkeerd, omdat meer mensen zich zo konden herkennen in de debatten van de volksvertegenwoordiging. Het wordt wat mij betreft pas problematisch op het moment dat het belang van herkenbaarheid wordt uitgelegd als “alles moet kunnen”. Dat is een erfenis van de Leefbaar-partijen en Pim Fortuyn begin deze eeuw. Fortuyn vond dat je moet “zeggen wat je denkt”. Wilders zette dat door, en recentelijk weer Forum van Democratie, dat dreigt met “tribunalen” en een minister uitmaakt voor spion. Dat zakt door een ondergrens. Je moet je zorgen gaan maken als een Kamerdebat uit de onderbuik komt. Met gewone taal is niks mis, wel met taal die een fatsoenlijke en redelijke discussie onmogelijk maakt. Helemaal als die taal ook tot doel heeft om de democratische rechtstaat te ondermijnen.’

Voormalig Kamervoorzitter Gerdi Verbeet zei dat de Kamer een ventiel mag zijn van maatschappelijk ongenoegen, maar géén aanmaakblokje zou moeten zijn. ‘Helemaal raak. Ook al is er geen onomstotelijke absolute grens, toch moet je begrenzen. Zeker als het gaat om insinuaties, halve en hele bedreigingen, of als Kamerleden fake news verkondigen.’

Is de vrijheid van meningsuiting niet van hogere orde dan een geschaad blazoen?‘Nee. Een Kamerlid heeft een grotere verantwoordelijk voor wat hij of zij zegt dan jij of ik, juist omdat het geen gewone burger is, maar iemand die aan de knoppen zit. Zeker, Wilders en Baudet moeten man en paard kunnen noemen, maar het feit dat hun woorden een groter bereik en meer impact hebben schept ook verantwoordelijkheden. Dat kun je juridisch onderbouwen, maar het is meer nog een moreel appel aan volksvertegenwoordigers, omdat ze ook in hun taal een voorbeeldfunctie hebben. Ik hoorde laatst van een leraar die met zijn klas naar een debat had gekeken: die kon zijn leerlingen niet uitleggen dat ze in de Kamer tekeer gingen op een manier die hij in zijn klas niet toestond.’

Wilt u een moreel appel verwoord zien in een stijlgids voor Kamerleden? Dan weet iedereen waar de grenzen liggen. ‘Zo strikt kunnen we de grenzen niet trekken. Een gidsje helpt niet en moet je bovendien steeds aanpassen. Er is bovendien al de rechter die een grens trekt, zoals de veroordeling van Wilders voor zijn “minder-Marokkanen”-uitspraak. Het is aan de Kamer zelf om te zorgen dat het debat niet door de ondergrens zakt. Daar is durf voor nodig om elkaar aan te spreken. En ook regie, om meer eensgezind te reageren op karaktermoord en bedreigingen.’

Is dat kritiek op de Kamervoorzitter? ‘Nee, was het maar zo simpel. De voorzitter is zo sterk als het parlement hem of haar gunt te zijn. Het probleem is dat het steeds moeilijker is geworden om met elkaar gemeenschappelijke waardes te formuleren. Wat je nodig hebt is een sterker opererend middenveld. De toon van het debat wordt nu vooral gezet door de flanken. Die partijen prefereren óntregelen boven regelen. En zij geven daarbij voortdurend af op wat ze de “mainstream” noemen. Nou, ik zou die “mainstream” op dit punt heel graag wat meer met één mond horen terugpraten.’

Ligt er een probleem in een teveel aan partijen, die zich alleen kunnen profileren met steeds krachtiger bewoordingen?‘Het aantal hoeft het probleem niet te zijn. In de jaren zeventig tikten we ook zestien of zeventien partijen aan. Belangrijker is de verwatering van de klassieke ideologieën van de middenpartijen. Daar is een toeschouwersdemocratie voor in de plaats gekomen, waarbij individuele politici baat hebben om vooral zichzelf te profileren, en niet meer de ideologie waar ze voor staan.’

Door elkaar te bestoken gaat mogelijk een klassieke taak van het parlement verloren: de regering controleren en mede wetgeven. Ligt daar een probleem?‘Jazeker. Niks mis met politieke verantwoording, die móet er zijn, maar door de toename van ophefdebatten en drang naar persoonlijke afrekening gaat de controlefunctie verloren. Natuurlijk zijn er nog de Kamercommissies, maar het helpt niet dat op het belangrijkste podium te veel op de man wordt gespeeld, te weinig op de bal. Als het parlement alleen nog functioneert als het ventiel van ons ongenoegen, moeten we er niet raar van opkijken dat het steken laat vallen bij het controleren van de uitvoerbaarheid van wetten en beleid.’

Foto: Brandi Alexandra via Unsplash

Contactinformatie

Thema
Geschiedenis, Politiek, Actualiteiten