‘Dat hij een appel gegeten heeft’, ‘dass er einen Apfel gegessen hat’ en ‘that he has eaten an apple’. Wie naar deze bijzinnen kijkt, ziet meteen dat het Nederlands, Duits en Engels veel op elkaar lijken. Toch is er iets opmerkelijks: in het Nederlands en Duits staat het lijdend voorwerp (appel) voor het werkwoord, in het Engels er juist na. ‘Het is fascinerend dat talen die zo dicht aan elkaar verwant zijn zo’n fundamenteel verschil in woordvolgorde vertonen’, zegt taalwetenschapper Tara Struik. ‘En dat wordt nog opmerkelijker als we naar eerdere taalstadia kijken: daar laten alle drie de talen allebei de volgorden toe. In 16e-eeuws Nederlands was ‘dat hij heeft gegeten een appel’ bijvoorbeeld net zo grammaticaal als ‘dat hij een appel heeft gegeten’.’
Radicaal verschillend?
De volgorde lijdend voorwerp– werkwoord wordt Object-Verb (OV)-volgorde genoemd. De omgekeerde volgorde is Verb-Object (VO). Of de basisvolgorde van een taal OV of VO is, is een belangrijke vraag in de taalwetenschap, omdat die volgorden elk hun eigen onderliggende syntactische bouwstenen hebben. Struik: ‘Een OV taal wordt dus beschouwd als heel verschillend van een VO taal. Vanuit dat perspectief zijn het huidige Engels en het huidige Nederlands en Duits radicaal verschillende talen.’
Het onderzoek van Struik is niet het eerste werk dat zich buigt over de OV/VO-verschillen in het Nederlands, Duits en Engels. ‘Maar er is een vraag die nog niet veel aandacht heeft gekregen’, zegt Struik. ‘Zijn deze talen structureel hetzelfde in hun vroegere stadia en zijn ze later uit elkaar gegroeid of waren de talen al verschillend en zijn ze nog verder uit elkaar gegroeid?’
Gegeven versus nieuw
Om een antwoord op die vraag te vinden, dook Struik voor een uitvoerige corpusanalyse in verschillende databases van het Oudengels, Vroegmiddelengels, Middelnederlands, Vroegnieuwnederlands, Oudsaksisch, Middelnederduits en het Oudhoogduits en Middelhoogduits. Door verschillende taalstadia te nemen, kon ze - naast vergelijken - ook de ontwikkeling in tijd onderzoeken.
Struik ging er bij haar onderzoek vanuit dat informatiestructuur in de vroegere stadia van het Nederlands, Duits en Engels een belangrijke rol speelde. Onder informatiestructuur verstaat ze het organiseren van een zin volgens het given-before-new principe: informatie die al eerder genoemd is (bijvoorbeeld in een langer stuk tekst over een specifieke appel), wordt eerder in de zin geplaatst dan nieuwe informatie (wanneer de appel voor het eerst genoemd wordt). De hypothese voor dit onderzoek is dat uit de context bekende (=given) objecten vaker voor het werkwoord voorkomen, en onbekende of nieuwe (=new) objecten vaker na het werkwoord.
Aanwijzingen
Voor het Oudengels en Vroegmiddelengels bleek uit de corpusanalyse dat nieuwe objecten exclusief in VO volgorde voorkomen. De OV-volgorde is voorbehouden aan objecten die al bekend zijn (given), al komen given objecten ook voor in VO volgorde voor. Volgens Struik is dat een sterke aanwijzing voor een VO-basis, waarbij een object gemotiveerd door giveness vanuit de basisstructuur verplaatst wordt naar een positie eerder in de zin. Bij de vergelijking van het Oudengels met het Vroegmiddelengels bleek dat dat principe nog steeds opging, maar dat het aantal OV objecten aan het afnemen was.
Voor het Duits en Nederlands is de situatie anders. In die eerdere stadia van het Nederlands wordt de volgorde werkwoord-lijdend voorwerp (VO) gemotiveerd door newness. Dat wil zeggen dat objecten die achter het werkwoord komen bijna altijd new zijn, terwijl in de positie voor het werkwoord zowel new als given objecten kunnen staan. Ook in het Oudsaksisch komen given objecten voornamelijk in OV volgorde voor, terwijl new objecten vrij in VO volgorde geplaatst kunnen worden. In beide talen neemt het aantal VO volgordes geleidelijk af.
Speciale functie
In de vroegere stadia van het Engels, Nederlands en Duits konden lijdend voorwerpen dus zowel voor als na het werkwoord voorkomen. Maar in welke positie ze geplaatst werden, had verschillende redenen. In ouder Engels geeft een lijdend voorwerp vóór het werkwoord aan dat het al eens genoemd is. In vroeger Nederlands en Duits ligt de nadruk juist op hoe nieuw een lijdend voorwerp is en komt dat vrijwel altijd ná het werkwoord.
Struik: ‘De invloed van informatiestructuur op de uiteindelijke woordvolgorde werkt blijkbaar in tegengestelde richting voor het Engels ten opzichte van het Nederlands, Duits en Nederduits. Voor alle drie de talen geldt dat de volgorde die nu als ongrammaticaal wordt beschouwd een speciale functie had, en werd gebruikt om te signaleren of het lijdend voorwerp al eens genoemd werd of niet. Deze speciale functie vervalt uit alle drie de talen. Op syntactisch niveau is de variatie dus hetzelfde is, maar in eerdere taalstadia was dus al aan het doorschemeren dat het Duits en Nederlands richting OV gaan, en het Engels richting VO.’
Tara Struik verdedigt haar proefschrift op 3 maart, vanaf 10.30 uur.
Foto: Terra Slaybaugh via Unsplash