Van sportdagen op basisscholen tot de Olympische Spelen en de Eredivisie: sport is niet meer weg te denken uit onze samenleving. Toen Sifan Hassan deze zomer twee gouden medailles won, werd het op elk nieuwskanaal gerapporteerd en de Nederlandse overheid zet consequent mensen aan om meer te bewegen. Maar hoe komt het eigenlijk dat we zoveel waarde zijn gaan hechten aan sport? En is onze huidige kijk op sport wel zo gezond als we denken? In het programma ‘De waarde van sport’ van Radboud Reflects gaven hoogleraar sportgeschiedenis Marjet Derks en sportfilosoof Sandra Meeuwsen, beiden van de Radboud Universiteit, hun visies op deze vraagstukken: de een historisch, de ander filosofisch. Na de lezingen gingen zij verder in gesprek over deze kwesties met ethicus Marcel Becker van de Radboud Universiteit en met het publiek.
Van oude naar moderne sport
Marjet Derks trapte met haar lezing de avond af. Hoewel sport al decennia oud is – ‘de Inca’s en Maya’s kenden al balspelen’ – focuste Derks vooral op de ontwikkeling van sport in Nederland sinds de negentiende eeuw. Pas toen begon het ontstaansproces van wat wij ‘moderne sport’ zijn gaan noemen. Deze vorm van sport kende duidelijkere regels en organisaties dan de oude vorm van sport. De moderne vorm ontstond op Engelse public school, vertelde Derks. ‘Daar ontwikkelde protestantse pedagogen een visie dat fysieke inspanning en enthousiasme voor samenspel ten goede zouden komen aan lesonderdelen.’ Sport werd zo gemaakt tot een beschaafd fenomeen, met fysieke en geestelijke opvoeding als doel. Derks zet hierbij overigens de kanttekening bij dat er ook sprake was van regels en competitie in oude sport, ‘en bij wat wij moderne, beschaafde sport noemen, kwamen ruwheid en relletjes bij meet af aan voor.’
Massasport en soft power
Hoewel moderne sport dus al ontstond in de 19e eeuw, werd het pas na de Eerste Wereldoorlog populair onder de massa, zo vervolgde Marjet Derks haar verhaal. In de jaren ’60 en ’70 vond er een omslag plaats in de Nederlandse sportwereld, als gevolg van het wegvallen van de maatschappelijke zuilen. ‘Sport ging tot op zekere hoogte de leeggekomen ruimte vullen.’ In het verlengde hiervan ging de overheid de kracht van sport als integratiemotor ontdekken. Er werd steeds meer ingezet op breedtesport: ‘Sport verschafte een vorm van sociaal kapitaal en werd onderdeel van de meritocratie.’ Na de eeuwwisseling vonden er nog eens twee nieuwe ontwikkelingen plaats, volgens Derks: ‘De overheid ging sport erkennen als een vorm van soft power.’ Hierdoor wordt er allereerst steeds meer geïnvesteerd in topsport. Ten tweede raakt de juist op de achtergrond: ‘De sportvereniging krijgt het alsmaar moeilijker door individualisering en commerciële aanbieders.’ Volgens Derks moeten we uitkijken met deze tweede ontwikkeling: het doet af aan de sociale cohesie.
Tussen het existentiële en het politieke
Na de historische lezing van Marjet Derks boog Sandra Meeuwsen zich vanuit filosofische hoek over de moderne sport. Meeuwsen begon haar lezing met haar belangrijkste these: ‘Zoals ik het zie beweegt sport zich tussen een existentiële dimensie die gaat over verlangen, versus een politieke dimensie.’ In het verdedigen van deze these focuste zij op de ontstaansgeschiedenis van sport en, daarbij, de heersende idee over wat sport is in die geschiedenis. Een belangrijk moment daarin is volgens Meeuwsen allereest het ontstaan van de moderne sport in de 19e eeuw:‘ In die periode is een split ontstaan tussen vitalisme – de hunkering naar de bevrijding van het lichaam – en tegelijkertijd het paradigma van het economische utilisme dat zich gerealiseerd heeft in statuten en regelementen.’ Het tweede cruciale moment is de publicatie van Homo Ludens door Johan Huizinga. Naar aanleiding van Homo Ludens ontstond er een ideaalbeeld van sport als spel. Dit beeld is volgens Meeuwsen echter een mythe: de drang tot winnen wordt erin ontkend.
Doorgeschoten juridisering
Door ‘de polariteit tussen sport als spel en de doorgedreven wil tot winnen’ ontstaan er volgens Sandra Meeuwsen steeds meer regels over sport. ‘Maar als de praktijk vooral beheerst wordt door regels, doet dat iets met ons vermogen om oplossingen te vinden.’ Daarom is er volgens Meeuwsen een tegenstelling tussen het aantrekken van regels en de moraal in de sport. Sport is volgens Meeuwsen onderhevig aan een ‘doorgeschoten juridisering’: ‘een vorm van rituelen zonder sacrale bedding, die de sport verkillen.’ De uitdaging is volgens Meeuwsen om een balans te vinden in deze juridisering. Hoe kunnen we naar deze nieuwe vorm van sport toewerken? ‘Ik denk dat het nodig is voorbij onze naïviteit over sport te komen.’ We moeten stoppen met het eenzijdig idealiseren van het spel en de regels, en ook weer oog leren hebben voor de sacrale en competitieve kanten van de sport.
Twee verschillende visies
Tijdens het gesprek onder leiding van Marcel Becker bleek vooral hoe verschillend de historicus en de filosoof naar sport kijken. Zo vroeg Becker hen naar hun visie op boksen, waarover ze beide geschreven hebben. Sandra Meeuwsen vindt boksen met name interessant omdat daarbij de strijdlustige kant van sport bij uitstek naar bovenkomt. ‘Daarnaast, wat doet dat met ons als publiek? Wij willen het gevecht graag zien.’ Marjet Derks kijkt vanuit een andere hoek naar boksen: ‘Ik kijk naar sport in een historische context, niet zozeer naar wat het wezen van de sport is.’ Zij vindt interessant hoe boksen een sport is waar veel minderheden zich in opklimmen: ‘Als je niets hebt, kun je altijd nog vechten.’ Over een publieksvraag naar wat de definitie van sport eigenlijk is, zijn de twee sprekers het eens: sport definiëren is niet hun taak. Meeuwsen meende dat een sportfilosoof geen vaste definitie van sport kan geven, want ‘sport is een ademend veld’. Derks stelde dat zij zich laat leiden door wat de historische context dicteert dat sport is: ‘Sport is wat mensen vinden dat sport is, en hoe zij dat ervaren.’
Tekst: Ellen Theuws. Dit is het verslag van een lezing van Radboud Reflects. Foto: Mārtiņš Zemlickis via Unsplash