Het lezen van de inhoudsopgave van Wat gebeurt er in het Nederlands?! is een feestje op zichzelf. Wie maar een beetje nieuwsgierig is naar de Nederlands taal kan zichzelf verlekkeren aan titels als ‘Oerend hard en kapot cool’, ‘Venlo, je regent en je bussen rijden niet’, ‘De /n/ van Aboutaleb’, ‘Thierry doet een Trumpje’ en ‘‘Luste gij un quukske jong?’ en andere Brabantse memes’. Hoogleraar historische taalkunde van het Nederlands Nicoline van der Sijs bracht voor haar afscheidsboek van de Radboud Universiteit zestig taalwetenschappers en taalkundigen samen die de meest uiteenlopende taalverschijnselen in het Nederlands bespreken. Van der Sijs: ‘Taal is een duizendkoppig fenomeen, waarvan de ene kop nog interessanter is dan de andere.’
Frequentie
In het boek Wat gebeurt er in het Nederlands?! schrijven onderzoekers uit heel Nederland, Vlaanderen en Suriname over hun onderzoek naar taalverandering, grammatica, uitspraak, woorden en namen, taalvoorschriften en taaladvies, idiomen en taalverwerving en variatie in en om Nederland. Het overkoepelende thema is frequentie. ‘Hoe vaak komt een woord of een taalverschijnsel voor? En wat betekent dat voor ons idee van taal en theorieën over taal? We willen laten zien hoe frequentie en taal op elkaar inwerken, op allerlei terreinen’, legt Van der Sijs uit. ‘Frequentie is fundamenteel in taalverandering en taalvariatie. Aan de ene kant vinden bepaalde ontwikkelingen juist wél plaats bij infrequente woorden, maar juist níét bij de hoogst frequente. Aan de andere kant zijn er ontwikkelingen die juist meer voorkomen als een woord of klank vaker voorkomt.’
Lopen en jagen
Als voorbeeld noemt Van der Sijs het geval van sterke en zwakke werkwoorden in het Nederlands. Sterke werkwoorden veranderen van klank in de verleden tijd, zoals lopen-liepen en lezen-lazen. Zwakke werkwoorden doen dat niet, zoals fietsen-fietsten. ‘Vroeger dachten we dat de sterke werkwoorden zouden verdwijnen, omdat de meeste werkwoorden in het Nederlands zwak zijn. Maar sterke werkwoorden worden heel vroeg geleerd door kinderen en sommige zijn heel frequent, zoals kijken-keken. Die verdwijnen helemaal niet. Aan de andere kant zijn er ook sterke werkwoorden die minder vaak gebruikt worden. En je ziet dat daar een andere vorm naast komt, bijvoorbeeld met het werkwoord jagen. De verleden tijd is oorspronkelijk ‘joegen’, maar je hoort ook ‘jaagden’. Omdat dat werkwoord niet heel frequent is in het Nederlands – zo veel wordt er niet gejaagd hier – zal de zwakke vorm waarschijnlijk winnen. Frequentie is dus geen zwart-witplaatje. Ons doel was om die wetenschappelijke kennis over de rol van frequentie in een groot aantal taalverschijnselen voor een breed publiek toegankelijk te maken. We hopen te laten zien hoe leuk en interessant het is dat er achter dingen die toevallig lijken wetmatigheden of patronen blijken te zitten. We weten nog lang niet alles, maar we komen wel steeds verder. En frequentie helpt ons om inzicht te krijgen.’
Statistisch onderzoek naar taal is nog relatief nieuw. In zijn meest basale vorm betekent frequentie simpelweg tellen hoe vaak iets voorkomt. Maar waar vroeger met de hand geteld moest worden, zijn er nu computers die door enorme tekstbestanden kunnen zoeken, van 12de-eeuwse teksten tot nu, van kranten en literatuur tot Twitter en appjes. ‘Tegelijkertijd worden er steeds meer en betere computerprogramma’s ontwikkeld om op zinnige wijze taalverschijnselen in die teksten te tellen’, zegt Van der Sijs. ‘Mede hierdoor heeft de taalwetenschap de afgelopen decennia alsmaar meer inzicht gekregen in hoe ongelooflijk belangrijk frequentie is.’
Methode
De hoofdstukken in de bundel zijn relatief kort: zo’n 1500 woorden. Van der Sijs: ‘Zo komen we heel snel tot de essentie. Je kunt er bij wijze van spreken voor het slapengaan nog even eentje lezen, en dan heb je al snel een goed idee van wat er gebeurt op heel veel verschillende terreinen’. Ieder hoofdstuk bevat een kader waarin nadere toelichting wordt gegeven op de methode of de data en de dataverzameling die bij het onderzoek werd gebruikt. ‘In de wetenschap ligt de focus heel vaak op behaalde resultaten’, legt Van der Sijs uit. ‘De laatste jaren klinkt de roep steeds luider om ook aandacht te besteden aan het hoe van wetenschap, om mensen meer inzicht te geven in wat er allemaal achter de schermen gebeurt. Met de kaders over methode of dataverzameling willen we laten zien hoe we onderzoek doen en tot onze conclusies komen. Wetenschap is geen mening.’ Elk hoofdstuk eindigt bovendien met een korte alinea ‘Verder lezen?’ waarin relevante achtergrondliteratuur op een rijtje is gezet. Zo vinden mensen die meer willen weten gemakkelijk hun weg naar de wetenschappelijke publicaties.
Met het boek sluit Van der Sijs, die op 1 augustus van dit jaar met emeritaat ging, haar periode aan de Radboud Universiteit af. Maar aan stoppen denkt ze nog niet. ‘Ik heb zelf het idee dat ik nog lang niet klaar ben’, zegt Van der Sijs lachend. ‘Ik heb er nog wel zin in, ik heb nog genoeg ideeën.’
Op 8 oktober wordt het boek Wat gebeurt er in het Nederlands?! (redactie Nicoline van der Sijs, Lauren Fonteyn en Marten van der Meulen) gepresenteerd aan de secretaris van de Nederlandse taalunie, Kris van de Poel. Vanaf die datum ligt het boek ook in de winkel.
Foto: awar kurdish via Unsplash