Hoe beïnvloeden talen van tweetalige kinderen elkaar?
Hoe beïnvloeden talen van tweetalige kinderen elkaar?

Hoe beïnvloeden talen van tweetalige kinderen elkaar?

Tweetalige kinderen zeggen dingen soms net een beetje anders dan eentalige kinderen. Een Frans-Nederlands kind kan bijvoorbeeld vragen: ‘Waarom je huilt?’ Een prima woordvolgorde in het Frans, maar ongrammaticaal in het Nederlands. Chantal van Dijk onderzocht of zulke beïnvloeding tussen talen ook plaatsvindt bij het begrijpen van zinnen.

Tweetalige kinderen zijn goed in staat hun talen uit elkaar te houden. Als je ze in hun ene taal hoort praten, merk je vaak niet dat ze eigenlijk nog een andere taal spreken. Toch gebeurt het af en toe dat de ene taal de andere taal beïnvloedt. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer kinderen een woordvolgorde van de ene taal in de andere taal gebruiken, zonder de woorden van de talen te mixen. Een Frans-Nederlands tweetalig kind zou bijvoorbeeld kunnen zeggen: ‘Dat is een kat boos’. In het Frans is dat de goede zinsstructuur (c'est un chat en colère), maar het is ongrammaticaal in het Nederlands.

Zulke situaties waarin kinderen alleen een eigenschap van de zinsstructuur (syntax) of woordstructuur (morfologie) van de ene taal in de andere taal gebruiken, wordt in de literatuur cross-linguistic influence genoemd, oftewel ‘tussen-talige invloed’. ‘Over tussen-talige invloed in de taalproductie van kinderen weten we al veel, maar we weten nog heel weinig over tussen-talige invloed in het taalbegrip van kinderen’, zegt taalwetenschapper Chantal van Dijk(verwijst naar een andere website), die op 17 september op dit onderwerp promoveert.

Online experimenten

Eigenlijk weten we niet hoe vaak de ene taal van tweetalige kinderen het begrijpen van de andere taal beïnvloedt. Ook is het onduidelijk wat de rol is van taaloverlap, taaldominantie en leeftijd. ‘Bovendien zijn de bestaande studies, op een uitzondering na, offline’, zegt Van Dijk. ‘Dat betekent dat alleen werd gekeken naar de interpretatie van een zin aan het einde van die zin. Maar onderzoek laat zien dat we niet wachten met het interpreteren van een zin tot we die helemaal hebben gehoord. Het kan daarom goed zijn dat tussen-talige invloed al plaatsvindt tijdens het beluisteren van zinnen.’

Voor haar onderzoek voerde Van Dijk drie online experimenten uit, die het zinsbegrip meten tijdens de verwerking van een zin. Daarbij focuste ze specifiek op drie factoren die een rol kunnen spelen bij de tussen-talige invloed: taaloverlap (hoe veel talen syntactisch en/of morfologisch op elkaar lijken), taaldominantie (welke van de twee talen is sterker?) en leeftijd.

Zinnen in stukjes

Met het eerste experiment werd onderzocht hoe snel kinderen Nederlandse zinnen verwerken. Aan het experiment deden 40 Nederlands eentalige, 42 Duits-Nederlands en 39 Engels-Nederlands tweetalige kinderen mee. De kinderen kregen een zin in stukjes te horen. Na een stukje gehoord te hebben, moesten ze op een knop drukken om het volgende stukje te beluisteren. Op die manier kon worden gemeten hoe lang kinderen erover deden om de verschillende stukjes van de zinnen te begrijpen: hoe langer het duurde om op de knop te drukken, hoe moeilijker het was om de zin te begrijpen. Het tweede experiment was in essentie hetzelfde als het eerste, maar hiermee werden (jong)volwassenen getest. Er deden 25 eentalig opgegroeide Nederlandse en 25 Duits-Nederlands en 26 Engels-Nederlands tweetalige (jong)volwassenen tussen de 15 en 43 jaar mee.

De resultaten van de twee experimenten geven bewijs voor tussen-talige invloed tijdens de zinsverwerking. Als er een bepaalde mate van overlap is tussen de talen van Duits-Nederlandse kinderen, verwerkten zij de zin langzamer. Overigens zijn de resultaten subtiel, tussen-talige invloed is niet altijd met het blote oog zichtbaar. Bovendien lijkt taaldominantie een belangrijke rol te spelen voor het plaatsvinden van tussen-talige invloed tijdens de zinsverwerking. In beide experimenten waren de effecten van tussen-talige invloed sterker naarmate de kinderen en jongvolwassenen dominanter waren in de andere taal. ‘Opvallend is dat we geen algemeen negatief effect van tweetaligheid vonden’, zegt van Dijk. ‘Het eerste experiment laat zelfs zien dat tweetalige kinderen juist sneller zinnen verwerken dan eentalige kinderen. Het tweede experiment laat zien dat tussen-talige invloed tijdens de zinsverwerking aanwezig blijft in (jong)volwassen tweetaligen, hoewel die invloed wel subtieler is dan bij kinderen.’

Offline versus online

Het laatste experiment was bedoeld om te onderzoeken of er een verschil is tussen online en offline bevindingen. Aan het onderzoek deden 17 Turks-Nederlands, 23 Duits-Nederlands tweetalige en 14 Nederlands eentalige kinderen mee. Daarvoor moesten Turks-Nederlands tweetalige kinderen naar Nederlandse zinnen luisteren. Bij iedere zin zagen de kinderen drie plaatjes op een laptopscherm waar een persoonlijk voornaamwoord (hij/zij) in de zin naar kon verwijzen. Op het moment dat kinderen het voornaamwoord hoorden, registreerde een eye-tracker onderaan het laptopscherm naar welk plaatjes de kinderen keken. Aan het einde van ieder verhaaltje, kregen de kinderen een controlevraag, waarmee het offline zinsbegrip gemeten kon worden. Van Dijk: ‘Dit experiment liet zien dat de invloed van talen in offline zinsbegrip hetzelfde is in online zinsbegrip. Maar het offline effect was niet significant, terwijl het online effect dat wel was. Dat sluit aan bij mijn verwachting dat offline tussen-talige invloed een zwakkere reflectie is van online tussen-talige invloed en dat het dus zinvol is om zinsverwerking ook online te testen.’

Blokkeren van activatie

Omdat bestaande modellen van tussen-talige invloed de resultaten niet kunnen verklaren, stelt Van Dijk een eigen model voor. Daarin wordt onder meer het proces beschreven dat nodig is om de activatie van beide talen te controleren: inhibitory control. Van Dijk: ‘Het uitgangspunt is dat tweetalige kinderen en volwassenen de activatie van de andere taal proberen tegen te gaan. Dat verklaart de online resultaten in de drie experimenten: het blokkeren van activatie van de andere taal heeft als gevolg dat betekenissen en abstracte woordvolgordes die verbonden zijn met beide talen (deels) geblokkeerd worden.’ Daardoor kunnen tweetaligen deze representaties minder makkelijk selecteren. Dit leidt dan tot vertragingen tijdens de zinsverwerking en minder oogfixaties op de interpretatie die bij het Turks past.

Hoort erbij

Het onderzoek van Van Dijk laat zien dat de talen van tweetalige kinderen elkaar beïnvloeden. Die beïnvloeding tussen talen kan heel subtiel zijn en wordt soms alleen zichtbaar wanneer er wordt gekeken wat er tijdens taalverwerking gebeurt. Tegelijkertijd suggereren haar resultaten dat tweetalige kinderen hun talen goed uit elkaar kunnen houden: aan de ene kant zijn de talen van tweetalige kinderen telkens in samenspel, maar aan de andere kant lijken kinderen deze co-activatie snel en efficiënt te kunnen sturen en inhiberen. Bovendien blijkt dat hoe dominanter een taal van een kind, hoe groter de kans dat deze de verwerking van de andere taal (zichtbaar) beïnvloedt. Ook lijkt er een bepaalde mate van overlap tussen talen nodig te zijn om elkaar online te beïnvloeden. Dit zou kunnen betekenen dat talen die (syntactisch en/of morfologisch) meer op elkaar lijken, elkaar sterker beïnvloeden dan talen die veel van elkaar verschillen. Bovendien laat dit onderzoek zien dat tussen-talige invloed blijft bestaan in (jong)volwassenen. Van Dijk: ‘Het lijkt erop dat tussen-talige invloed erbij hoort wanneer een kind tweetalig opgroeit. Talen beïnvloeden elkaar mogelijk zelfs meer dan we ons realiseren. Maar die beïnvloeding is vaak heel subtiel en onzichtbaar. Tweetalige kinderen kunnen heel efficiënt met hun talen omgaan.’

In deze podcastaflevering(verwijst naar een andere website) van Kletsheads vertelt Chantal van Dijk meer over haar onderzoek.

Foto: Torsten Dederichs via Unsplash

Contactinformatie

Thema
Opvoeding, Taal, Internationaal