Eind 1944, toen het zuiden van Nederland al deels was bevrijd, vaardigde de Nederlandse regering vanuit London het Besluit Vijandelijk Vermogen uit. Daarmee werden alle Duitsers in het Nederlands koninkrijk collectief tot vijandelijk onderdaan verklaard. Direct na de bevrijding nam de overheid al hun bezittingen in beslag, ongeacht hun politieke voorkeur of gedrag tijdens de oorlog. Mannen, vrouwen, kinderen, dienstmeisjes, gevluchte Duitse joden, nonnen, weeskinderen: iedereen met een Duits paspoort was automatisch vijandelijk onderdaan na Koninklijk Besluit E-133.
Tienduizenden Duitsers werden getroffen door het besluit. Om het bezit terug te krijgen, moest een verzoek tot ‘ontvijanding’ ingediend worden. De ‘vijandelijk onderdanen’ werden beoordeeld op hun oorlogs- en naoorlogse gedrag en moesten zelf materiaal aandragen waarmee ze bewezen dat ze zich hadden gedragen als ‘goede Nederlanders’. Wat dat precies betekende, was niet altijd even duidelijk of objectief.
Ingrijpende gevolgen
Het Nederlandse beleid had ingrijpende gevolgen voor Duitse Nederlanders en de generaties die volgden. Eigendommen variërend van meubels tot verzekeringen, bedrijven en kastelen werden in beslag genomen en geliquideerd. De hele operatie had begin jaren zestig ruim 750 miljoen Nederlandse guldens opgeleverd. Maar in de geschiedschrijving wordt het Nederlandse naoorlogse beleid ten aanzien van Duitse burgers verwaarloosd, zegt historica Marieke Oprel. Ze deed er onderzoek naar en publiceerde in 2020 haar proefschrift.
Op basis daarvan verschijnt nu een boek voor het brede publiek – Afrekenen met de vijand, het naoorlogse beleid ten aanzien van Duitsers in Nederland – waarin Oprel op basis van gesprekken met nabestaanden en archiefmateriaal de situatie van achttien families beschrijft die na de oorlog tot vijandelijk onderdaan verklaard werden. ‘Toen in 2018 het archief van het Nederlands Beheerinstituut (NBI, het instituut dat in 1945 opgericht werd om het bezit in beslag te nemen) openbaar werd, kwam er voor het eerst in de landelijke media aandacht voor de vijandstatus van Duitsers’, vertelt Oprel. ‘Sindsdien ontvang ik wekelijks een e-mail van iemand wiens (groot)ouder in de nasleep van de Tweede Wereldoorlog tot vijandelijk onderdaan was verklaard. Ik kreeg laatst nog bericht van iemand uit Canada: hij is de kleinzoon van een uit Duitsland gevluchte Joodse man die nota bene in Nederland in het verzet had gezeten en toch na de oorlog vanwege zijn Duitse paspoort als vijandelijk onderdaan behandeld is. Een ongelofelijk verhaal.’
Het geval van Otto FrankMisschien wel een van de meest bekende gevallen van iemand die de ontvijandingsprocedure moest ondergaan, is de zaak van de vader van Anne Frank. Otto Frank was het enige lid van de familie Frank die de Tweede Wereldoorlog overleefde. Toen hij na de bevrijding van Auschwitz eind januari 1945 naar Nederland terugkeerde na maanden reizen, kreeg hij te horen dat zijn vrouw en dochters waren omgekomen, en dat hij geclassificeerd was als vijandige burger door de Nederlandse Staat. Frank was zijn bedrijf Opekta, een jamfabriek, voor de oorlog begonnen in Duitsland en onderhield handelsrelaties toen het gezin naar Nederland verhuisde. Voor de Nederlandse autoriteiten waren de Duitse eigenaar en de voortdurende handel met Duitsland tijdens de oorlog redenen om Opekta te beschuldigen van economische collaboratie en het bedrijf als vijandelijk bezit in beslag te nemen. Documentatie in verschillende Nederlandse archieven geven inzicht in de complexe, bureaucratische rechtszaak die Frank begon om zijn eigendom terug te krijgen. Op 7 februari 1947 kreeg Otto Frank bericht dat hij niet langer als vijandelijk burger werd beschouwd. In 1949 werd hij officieel Nederlander. (B(verwijst naar een andere website)ron(verwijst naar een andere website))
Reconstructie
De verhalen in Afrekenen met de vijand zijn de verhalen van kinderen en kleinkinderen van mensen die tot vijandelijk onderdaan verklaard werden, zegt Oprel. ‘Over mensen die al vóór de oorlog uit Duitsland naar Nederland kwamen, al dan niet vrijwillig, en die zich hier vestigden. Nederlanders die door een huwelijk automatisch de Duitse nationaliteit hadden gekregen. Joden die uit Duitsland naar Nederland waren gevlucht. Sommigen werden in Nederland geboren, en waren alleen volgens hun paspoort Duitsers. De rode draad is dat die mensen tot vijandelijk onderdaan verklaard werden op basis van een wetsbesluit. Hun kinderen en kleinkinderen willen weten: vanwaar die vijandstatus? Aan de hand van het archiefmateriaal en de aanvullende verhalen van de kinderen en kleinkinderen heb ik geprobeerd de familiegeschiedenissen van net na WOII te reconstrueren. Aan het eind van elk verhaal reflecteert een familielid op de consequenties van de vijandstatus voor de familie.’
Trauma
Een van de verhalen uit het boek kwam in week drie van Oprels promotieonderzoek al op haar pad. In september 2015 werd de historica gebeld door een medewerker van het NIOD: ze had zojuist een archief gekregen. Het bleek een zeer rijk privé-archief van een familie die tot vijandelijk onderdaan was verklaard. De eigenaar van het archief woont in Canada, maar was op dat moment in Nederland. Oprel: ‘In een klap had ik én een gesprek met een nabestaande én dat privé-archief. Hij en zijn zus, die in Duitsland woont, wilden graag dat ik het verhaal van hun vader vertelde.’
Maar de jongste broer wilde het verhaal niet gepubliceerd hebben. Oprel: ‘Daar kwam een intergenerationeel trauma tevoorschijn: de jongste broer was van na de oorlog en wilde niet dat er weer aandacht zou worden besteed aan de vijandstatus van zijn vader. Hij was bang dat belastend archiefmateriaal – er is namelijk ook een CABR-dossier over zijn vader waarin de man van collaboratie wordt beschuldigd – verkeerd uitgelegd zou worden. De oudere gezinsleden wilden juist dat het verhaal van hun vader tot in detail opgetekend werd, om na al die jaren eindelijk erkenning te krijgen voor het leed dat zij hebben meegemaakt tijdens en na de oorlog.’ Jarenlang had Oprel intensief contact met de familie. Uiteindelijk is het verhaal anoniem in haar boek verschenen, zonder achternaam. ‘Voor de oudste broer en zus is dat nog steeds een wat pijnlijk punt’, zegt Oprel. ‘Zij vinden dat geschiedenis zonder achternaam niet daadwerkelijk de familiegeschiedenis is.’
Bladzijde uit de geschiedenis
De meeste mensen die Oprel voor haar onderzoek sprak, konden het idee van het naamzuiveren loslaten. Ook streven ze niet naar een vorm van financiële compensatie voor hun onteigend vermogen. Wel vinden ze het belangrijk dat dit deel van de geschiedenis aandacht krijgt. Oprel: ‘Vrijwel iedereen benadrukte dat ook deze bladzijde uit de naoorlogse geschiedenis verteld moet worden wanneer het over de Tweede Wereldoorlog gaat. Het naoorlogse beleid ten aanzien van Duitsers, die ongeacht hun politieke voorkeur of gedrag tijdens de oorlog een lange en vaak willekeurige ontvijandingsprocedure wachtte, verdient niet de schoonheidsprijs. Dat zij als medeburgers enkel vanwege hun Duitse nationaliteit tot vijandelijk onderdaan werden verklaard, geeft ook nu nog te denken over de betekenis van (staats)burgerschap.’
Foto: Prins Bernhard bezoekt bevrijd Nederland (Helmond), september 1944. Bron: Nationaal Archief / Fotocollectie RVD / Koninklijk Huis.