Heeft rooms-katholicisme een desastreuze uitwerking op kindergezondheid? Dat vermoeden ontstond toen vanaf de jaren ’70 van de 19de eeuw de sterfte onder zuigelingen in heel Nederland sterk begon te dalen, behalve in de rooms-katholieke provincies Noord-Brabant en Limburg. Historica Nynke van den Boomen onderzocht de gemeentelijke verschillen in zuigelingensterfte in Nederland tussen 1875 en 1899. Haar onderzoek laat zien dat er geen bewijs is dat het rooms-katholieke geloof van doorslaggevend belang was.
Unieke bron
Van den Boomen gebruikte gemeentelijke doodsoorzaakregisters van tussen 1875 en 1899 als bronmateriaal. ‘Dat is een unieke bron: de registers van alle 1.121 gemeenten die Nederland aan het eind van de 19de eeuw telde, zijn voor dit project gedigitaliseerd, met de hulp van veel mensen’, legt Van den Boomen uit. ‘Naast cijfers over sterfte en doodsoorzaken onder zuigelingen verzamelden we voor iedere gemeente ook data over de religieuze samenstelling, vruchtbaarheid, migratie, bevolkingsdichtheid, het bodemtype, de arbeidsparticipatie van vrouwen, het aandeel van de bevolking werkzaam in de landbouw, het aantal medici en het aantal vroedvrouwen.’
Met het bronmateriaal ging Van den Boomen op zoek naar het antwoord op de vraag of de patronen in Nederland wat betreft zuigelingensterfte tussen 1875 en 1899 door rooms-katholicisme bepaald werden. Daarvoor maakte ze onderscheid tussen religieuze en regionale karakteristieken die invloed zouden kunnen hebben op zuigelingensterfte. Van den Boomen: ‘Religieuze karakteristieken zijn hoge huwelijksvruchtbaarheid, het gebruik van kunstmatige voeding in plaats van borstvoeding in een tijd dat er nog geen goede kunstvoeding was en een algehele weerstand tegen moderne ideeën over gezondheid, ziektepreventie en kinderzorg. Regionale karakteristieken zijn bijvoorbeeld levenstandaard, urbanisatie en ecologische omstandigheden.’
In het onderzoek vond Van den Boomen geen enkel bewijs dat rooms-katholicisme een belangrijke verklaringsfactor is van zuigelingensterfteverschillen in Nederland tussen 1875 en 1899. Van den Boomen: ‘Hoewel zuigelingensterfte inderdaad sneller daalde aan de kust en langzamer in het zuidoosten van het land, weken veel gemeenten af van deze trend. Dat betekent overigens niet dat religie geen enkel effect had op de hoogte van zuigelingensterfte, maar wel dat de rol van rooms-katholicisme in eerder onderzoek teveel belang is toegedicht.’
Factoren
Maar als het niet het rooms-katholicisme was, welke factoren waren dan wel bepalend voor zuigelingensterftepatronen tussen 1875 en 1899? Van den Boomen identificeerde er op basis van het bronmateriaal een aantal. Zo bleek arbeidsparticipatie onder vrouwen een rol te spelen bij zuigelingensterfte onder jongetjes. Door hun werk konden moeders niet thuisblijven, waardoor zij hun kinderen niet konden voorzien van borstvoeding of de juiste verzorging. Bovendien kan vrouwenarbeid een vertekenende factor voor armoede zijn, aangezien armoede meer vrouwen de betaalde arbeidsmarkt op dwong. ‘Met andere woorden, de levensomstandigheden waren mogelijk slechter in gemeenten met een hoge arbeidsparticipatie onder vrouwen’, zegt Van den Boomen.
De aanwezigheid van goede vroedvrouwen lijkt ook van belang te zijn geweest voor de overlevingskansen van de allerjongsten. Van den Boomen: ‘Alleen was er in sommige gemeenten, met name in de zuidelijke contreien, vaak helemaal geen vroedvrouw voor handen.’
Maar de doorslaggevende factor voor zuigelingensterfte in het onderzoek van Van den Boomen is wellicht een verrassende: de bodemgesteldheid. ‘Bodemtypes met een slechte waterdoorlatendheid worden in verband gebracht met een groter risico op blootstelling aan infectieziektes. In gemeenten waar de dominante bodemsoort zand was, stierven minder zuigelingen aan infectieziektes, waarschijnlijk omdat ziektekiemen minder kans kregen door de hogere waterdoorlatendheid, waardoor het risico op besmet water of aarde kleiner was’, legt Van den Boomen uit.
Regionaal bepaald
Volgens Van den Boomen worden de zuigelingensterftepatronen in Nederland tussen 1875 en 1899 dus grotendeels regionaal verklaard en niet zozeer door rooms-katholieke karakteristieken. Haar onderzoek laat dan ook de complexe verhouding tussen religie en regio in laat negentiende-eeuws Nederland zien. Van den Boomen: ‘Als we rooms-katholicisme meten, meten we meer dan het geloof alleen; het vertelt ons ook waar een gemeente was gelegen. Belangrijker nog, zowel hoge als lage zuigelingensterfte werd bepaald door de sterfteniveaus in omliggende gemeenten. In de toekomst zullen we ons moeten richten op deze lokale sterfteregimes, zodat we kunnen bepalen waar deze door gevormd werden.’
Foto: Chris Arthur-Collins via Unsplash