Tekst: Bea Ros. Foto via Radboud Erfgoed
De koolmees, draaihals, merel, roodborst, vink, huismus en kruisbek hebben twee weken in de vriezer gelegen. Zo zijn eventuele larven van kevers en motten de nek omgedraaid en kunnen de opgezette vogels geen schade aanrichten aan ander kostbaar erfgoed in de ladekast.
Zoals de fraaie, kleurrijke prenten uit Nederlandsche Vogelen (1770-1829), een kloeke, vijfdelige gids met alle vogels die destijds in ons land te vinden waren. Met dit boek uit de bijzondere collecties van de Universiteitsbibliotheek is het allemaal begonnen. Want welke van die vogels vliegt er tegenwoordig eigenlijk nog rond? Zo ontstond een samenwerking tussen het programma Radboud Erfgoed en Healthy Landscape, het universiteitsbrede (onderzoeks)consortium dat zoekt naar oplossingen voor afnemende biodiversiteit. En ook Sovon Vogelonderzoek Nederland, dat al sinds vijftig jaar de vogelstand bijhoudt, sloot zich aan. “Met de expositie bieden we een geschiedenis en een toekomstbeeld van bekende vogels in en om Nijmegen”, vertelt Joseline Houwman, projectmanager van Healthy Landscape.
Nieuwkomers
De ladekastexpositie ‘Vogelvreugd’ toont vogelsoorten die bijna niet meer voorkomen of uitgestorven zijn, zoals de kuifleeuwerik. Kaarten van Sovon laten zien hoe deze vogel in de jaren vijftig heel gangbaar was, in de jaren tachtig al een stuk minder en dat er nu nog slechts op twee plekken in Nederland mogelijk een broedpaar zit. Daar hoort de regio Nijmegen niet bij, maar wij kunnen wel bogen op een zeldzame zwarte sternkolonie in de Ooijpolder. Normaliter broeden deze vogels op de krabbenscheer, een drijvende waterplant die ’s winters naar de bodem zakt. “Die plant is door de verslechterde waterkwaliteit inmiddels zeer zeldzaam”, vertelt Wyboud Stijns, practicumdocent biologie. Maar dankzij door vrijwilligers gemaakte nestvlotjes kan de stern toch in de Ooij broeden. Het streven is wel het water weer te zuiveren, zodat ook de krabbenscheer terug kan keren.
Aandacht is er verder voor nieuwkomers. Vanuit het zuiden kwamen bijvoorbeeld de Turkse tortel, de halsbandparkiet en de nijlgans. In de expositie zijn ook enkele prenten te zien uit een oude Franse vogelgids van Buffon: die toont al wel de nijlgans, maar de Nederlandsche Vogelen niet.
En dan zijn er de terugkomers, zoals de ooievaar en de zeearend. En Stijns signaleert tegenwoordig ook weer raven in Nijmegen. “Die had ik zeker dertig jaar niet gezien. Toen ik voor het eerst die typische ravenroep weer hoorde, dacht ik: die waren toch uitgestorven in Nederland? Toen ben ik het gaan checken op een site die ik iedereen kan aanbevelen, waarneming.nl, en daar zag ik dat iemand anders de raaf diezelfde dag ook gesignaleerd had.”
Vogelrecepten
Andere vogels pasten zich aan, zoals de merel. “Dat was oorspronkelijk een schuwe bosvogel die je alleen maar hoorde en zelden zag”, vertelt Houwman. “Als je tegenwoordig geen merel in je tuin hebt, is er iets mis, dan heb je te veel stenen in je tuin.” Stijns vult aan: “Tot zo’n vijftig, honderd jaar geleden gingen mensen in de buitengebieden er regelmatig met een geweer op uit om vogels af te knallen voor het eten.” Niet voor niets kun je in Nederlandsche Vogelen naast fraaie prenten en informatie ook recepten vinden voor hoe de vogels te bereiden. “Maar de mens is voor vogels geen roofdier meer en dus durven die nu dichter bij te komen.”
De vogelstand verandert doordat de omgeving, vaak door menselijk ingrijpen, ook verandert. Bestrijdingsmiddelen kunnen bijvoorbeeld de insecten doden waarvan vogels leven. Er is minder bos en vrij weiland, meer bebouwing, keurige daken zonder loszittende dakpannen waar huismussen en zwaluwen zo graag hun nestje bouwen. “Tegelijkertijd zie je dat sommige vogels juist profiteren van al die bebouwing’, vertelt Stijns. “Vogels die gewend zijn op vlaktes te nestelen doen dat nu ook op de platte daken van grote bedrijven, waar een kat, vos of ander roofdier niet bij kan komen. Maar als zo’n dak volgebouwd wordt met zonnepanelen, houdt het op.”
Aanschouwelijk
Naast veranderingen in de vogelstand laat de expositie ook zien hoe vogelonderzoek door de tijden heen veranderde. Driehonderd jaar geleden waren gidsen en encyclopedieën de manier om vogels te inventariseren en kennis te verspreiden.
Later kwamen er opgezette dieren. Darwin nam diverse vogels van de Galapagos-eilanden mee naar huis, om ze op te zetten en te bestuderen. En toen de Nijmeegse bètafaculteit in 1959 startte, was preparateur Ben Francissen een van de eerste medewerkers. “Aanschouwelijk onderwijs was toen heel belangrijk. Je leerde dieren kennen door ernaar te kijken en ze na te tekenen”, vertelt Stijns. Francissen zorgde voor een mooie verzameling. De mooiste exemplaren staan nu in vitrines op de eerste verdieping van het Huygensgebouw, de rest is opgeborgen in de kelders. Stijns leerde het vak nog van Francissen en zorgt nu voor het beheer en onderhoud (zoals regelmatig invriezen) van de collectie. Voor het onderwijs hebben ze geen echte functie meer, vogels kijken kun je tegenwoordig beter digitaal.
Voor de vogelstand is dat ook beter, want elke opgezette vogel is er eentje minder. Vroeger maalde men daar minder om. Zelfs Jac. P. Thijsse, een natuurbeschermer van het eerste uur, ging met een geweer het bos in: als je iets onbekends en interessants zag, schoot je het neer om het beest te determineren. “Voor onderzoek werd letterlijk gejaagd”, aldus Stijns. Nu ringen onderzoekers vogels en volgen ze via een app. En voor vogelaars en andere natuurminnaars zijn er handige determineerapps, zoals Obsidentify voor planten en Merlin, een soort Shazam voor vogelzang. Het wachten is nog op een app waarbij je een vogelsilhouet in de lucht fotografeert en de naam eruit rolt.
Rijkdom
In de expositie kunnen bezoekers zich vergapen aan de mooie vogelprenten. Die uit de Nederlandsche Vogelen komen uit een losbladig exemplaar van het Erfgoedcentrum Nederlands Kloosterleven in Sint Agatha, waarmee Radboud Erfgoed samenwerkt. Er zijn ook nieuwe prenten te bewonderen, van kunstenares Octavie Wolters. “Zo laten we zien dat ook in onze tijd mensen nog steeds vogelprenten maken”, vertelt Houwman. “Niet voor onderzoek, maar om een kunstzinnige reden en uit fascinatie.”
Verder zijn er de historische verspreidingskaartjes van Sovon en natuurlijk enkele opgezette
vogels van Francissen. Houwman wijst erop dat deze opnieuw interessant kunnen worden voor onderzoekers. “Je kunt het DNA onderzoeken. Of analyseren welke chemische stoffen in de veren zijn achtergebleven, als maat voor vervuiling. Lood en kwik worden bijvoorbeeld opgenomen in veren. Op die manier blijft erfgoed actueel en kan het ons iets vertellen over de wereld om ons heen.”
‘Vogelvreugd’ toont de rijkdom en de betekenis van het universitaire erfgoed. Houwman en Stijns hopen dat de vogels behalve bewondering ook gezonde bezorgdheid opwekken. “We willen heel graag laten zien waarom biodiversiteit belangrijk is. Onze boodschap is: er moet wat gebeuren, maar als we dat doen, is herstel mogelijk. Want vogels kunnen zich aanpassen.”
De expositie Vogelvreugd is van 9 januari tot en met 12 mei te bezichtigen in de tijdelijke locatie van het Valkhof Museum aan het Keizer Karelplein.
Op 20 februari om 16.00 uur is er in de UB een erfgoedsalon rondom de vijf delen van de Nederlandsche Vogelen.