Keetje trottin (1921) is een Nederlandse klassieker die lange tijd niet in het Nederlands te lezen was. Hoewel het verhaal een gefictionaliseerde autobiografie is over de kindertijd van het arbeidersmeisje Keetje Oldema in het 19e-eeuwse Amsterdam, schreef schrijfster Neel Doff de roman in het Frans. Cultuurwetenschapper en geschiedkundige Anna Geurts vertaalde de roman in 2021 uit het Frans naar het Nederlands.
Keetje is een bijzonder voorbeeld van een meisje uit de arbeidersklasse in die tijd. Haar leven is niet gemakkelijk: het boek snijdt thema’s als seksueel geweld en armoede aan. Maar het is ook belangrijk om te laten zien dat Keetjes leven niet alleen maar kommer en kwel is, vindt Geurts. ‘De levens van arbeidersvrouwen uit het verleden verdienen het om niet alleen herinnerd te worden vanwege de ellende die ze doormaakten of de weerstand die ze toonden, maar juist ook voor hun plezier,’ betoogt de geschiedkundige in een recent verschenen artikel in het tijdschrift Signs.
Flânerie
Het begrip flânerie, beschreven door kunstcriticus Charles Baudelaire, vat dit stedelijke plezier goed samen, stelt Geurts. ‘Een flaneur is simpel gezegd iemand die door de stad slentert, terwijl die voorbijgangers en de omgeving observeert. Maar de typische flaneur wordt in de literatuur voorgesteld als een financieel comfortabele, goed opgeleide, witte of Europese man. Deze man zou beschikken over kenmerken die vrouwen of arbeiders in de negentiende en vroege twintigste eeuw zogenaamd niet hadden: toegang tot de straat, vrije tijd en het vermogen om te genieten van het stedelijke spektakel, in plaats van zelf onderdeel van het spektakel te zijn.’
Volgens Geurts toont de semi-autobiografische roman van Neel Doff echter aan dat flâneren niet alleen voor welgestelde witte mannen is. Een groot deel van het leven van Keetje speelt zich op straat af: in haar werk als loopmeisje brengt ze fabrieksarbeiders hun warme lunch, bezorgt ze medicijnen voor een apotheek en levert ze hoeden af voor een hoedenmaker. Keetje neemt, vaak ook tijdens haar werkdag, de tijd om haar zorgeloze flânerie op straat te omschrijven:
De met bomen omzoomde Schans keek uit op de grachten. Daar zat ik dan ratten achterna en boog me ver voorover over het water om te zien waar ze langs waren gekomen; ik was heel verbaasd dat ze onder water konden ademhalen... ‘Het zijn toch geen haringen, even kijken...’ en met een tak roerde ik in het water om te zien of ik er geen verdronken ratten mee kon opvissen... Dan weer trokken de klaprozen die zich op de kades ontvouwden mijn aandacht...
Betekenis ombuigen
Keetje leert ons dat het ook voor vrouwen in de stad in haar omstandigheden mogelijk was om te flâneren. Geurts stelt dan ook voor om de betekenis van het begrip flânerie om te buigen, van het welgestelde mannelijke type "de flaneur" naar een manier van plezier beleven die voor iedereen toegankelijk is. Met hun nieuwe blik op het concept flânerie laat Geurts zien dat we termen soms moeten herdefiniëren om andere verhalen en ervaringen bloot te leggen. Ook de levens van andere groepen mensen uit die tijd kunnen op deze manier herzien worden. ‘Als flânerie niet gedefinieerd wordt door de valide, welgestelde, mannelijke witte wandelaar, wordt het voor iedereen een mogelijkheid,’ zegt Geurts.
Anna P.H. Geurts (2022): Flânerie as a Mode of Pleasure: Lessons from a Working-Class Flâneuse. Signs: Journal of Women in Culture and Society, 48(1), 197-227.
Foto: Aaron Burden via Unsplash