Heeft u wel eens nagedacht over waarom u ‘naar buiten’ schrijft en ‘na 12 uur’ en niet ‘na buiten’ en ‘naar 12 uur’? Waarom u ‘hij vindt’ schrijft, maar niet ‘hij eett’? Waarom het ‘het meisje dat’ en niet ‘het meisje die’ is? ‘Omdat dat de regels zijn!’ roept de taalpurist. Maar waar komen die regels dan vandaan? Nederlands taalkundige en etymoloog Nicoline van der Sijs schreef er al eerder het standaardwerk Taal als mensenwerk over en komt nu met de opvolger Taalwetten maken en vinden. Daarin bespreekt ze hoe heren van stand in de 16e en 17e eeuw discussieerden over de vraag hoe de ideale standaardtaal eruit diende te zien en hoe ze de taalnormen en -regels voor het Standaardnederlands vaststelden.
Toeval
‘In mijn boek laat ik zien hoe toevallig de uitkomst vaak was’, vertelt Van der Sijs. Neem de werkwoordspelling. In de 17e eeuw werd het idee van de gelijkvormigheidsspelling geïntroduceerd. ‘Hond’ schrijf je met een d, omdat ‘honden’ ook duidelijk met een d is, daar was iedereen het over eens. Maar hoe moest dat principe toegepast worden op werkwoorden? Van der Sijs: ‘Een van de voorstellen was ‘speeld’ met een d naar ‘hij speelde’, net als ‘hond-honden’. Anderen vonden: ‘hij eett’ met dubbele t, want we schrijven ook ‘hij vindt’ met dt. Na veel discussiëren werden de huidige regels geformuleerd. Maar dat hadden ook andere regels kunnen zijn. En dan kijk je er toch anders naar, hoop ik’, zegt Van der Sijs.
Daarmee doelt Van der Sijs op de vaak felle discussie over verloedering van de standaardtaal. Onlangs nog was de taalwereld te klein toen de nieuwe uitgave van de Algemene Nederlandse Spraakkunst (ANS) uitkwam, het standaard naslagwerk waarin de grammaticale regels van het Nederlands worden beschreven, en waarin nu bijvoorbeeld ook de dubbele ontkenning ‘nooit geen’ opgenomen is. Mensen (#taalnazi’s) buitelden over elkaar heen om commentaar te geven op de vermeende versoepelde taalregels. Van der Sijs: ‘Onzin, sorry dat ik het zeg. Mensen zijn soms zo bang dat we de standaardtaal weggooien. Maar de standaardtaal is geen monoliet. De variatie die erin zit, is er niet voor niets: daar maken we handig gebruik van en die moeten we koesteren. Bovendien zijn we niet langer prescriptief, maar descriptief. In taaladviesboeken zie je genuanceerdere omschrijvingen: als je wilt voldoen aan een sollicitatiebrief, dan kun je deze constructie gebruiken, maar als je in een andere situatie bent, kun je ook die constructie gebruiken. In hiphop kun je heel andere taal gebruiken dan in een presentatie. Hoe meer taalregisters (de gezamenlijke woorden van een taal in één bepaalde stijl, red.) je tot je beschikking hebt, hoe creatiever je kunt zijn. Zolang je maar weet welk register je in welke situatie kunt gebruiken.’
Elitaire onderneming
Variatie in taal is een natuurlijk verschijnsel. In de 15e eeuw waren er zelfs alleen maar heel veel dialecten en was er geen bovenregionale taal. Dat werkte prima tot mensen binnen hun taalgebied gingen verhuizen en er steeds meer boeken werden gedrukt met een veel grotere oplage en verbreiding dan de eerdere handgeschreven teksten, en die ook nog eens in de landstaal werden gepubliceerd in plaats van Latijn. De grote variatie in taal werd te onhandig en de behoefte aan een standaardtaal ontstond.
De mensen die de regels bedachten kwamen per definitie uit de hogere kringen. Ze schreven boeken, of waren uitgevers. In de 16e en 17e eeuw ging men taalwetten maken. Van der Sijs: ‘Zo ontstond bijvoorbeeld het verschil tussen na en naar. Dat onderscheid bestond helemaal niet, beide woorden werden door elkaar heen gebruikt, maar het idee was om – naar Latijns voorbeeld – verschillende betekenissen te koppelen aan verschillende vormen. Een van de heren stelde voor: dan is na voortaan een richting. Maar een ander bracht daar tegenin: nou, laten we naar gebruiken voor richting. Daar werd over gepraat en gediscussieerd, totdat besloten werd: naar is een richting, na is een tijdsaanduiding. En dat is nu onze standaardtaal.’
Omslag: van maken naar vinden
Ook het onderscheid tussen hen en hun is zo’n bedacht onderscheid. Hele bevolkingsgroepen gebruiken hen en hun ‘verkeerd’ en dat zou kunnen komen doordat die taalwet is voorgeschreven van hoger af, en misschien niet zo goed paste bij wat er werkelijk in de taal gebeurde. Van der Sijs: ‘Ik vind het zelfs vrij verrassend dat ie zo lang is blijven bestaan. Eigenlijk is ie al gesneuveld, alleen houden we er nu nog kunstmatig aan vast.’
In 1723 stelde de Nederlandse geleerde Lambert ten Kate een nieuwe aanpak voor: taalwetten moesten niet gemaakt worden, maar gevonden. Oftewel: kijk naar het taalgebruik en formuleer op basis daarvan de regels. ‘Prima’, zei taalkundige Balthazar Huydecoper (1695-1778), ‘maar men vindt geen fijne diamanten op de Amersfoortse heide, noch taalwetten langs de weg of op de straat.’ Waarmee hij bedoelde dat je wel moet kijken naar het taalgebruik van de hogere lagen. Naar grote schrijvers bijvoorbeeld, zoals Joost van den Vondel. ‘Die deed overigens helaas niet altijd wat op dat moment al de regels waren, zo schreef hij de dochter [...] wiens oogen, in plaats van wier; Huydecoper wees daar wel op maar hij vergoelijkte het ook, zegt Van der Sijs lachend.
Taalwetten die het nooit gehaald hebben
Niet alle taalwetten die in de 17e eeuw bedacht en geopperd werden, hebben de standaardwerken gehaald. Geen succes had de suggestie van Pieter Corneliszoon Hooft (1581-1647) - dichter, toneelschrijver en historicus –om hum voor de derde naamval enkelvoud te gebruiken naast hem voor de vierde (zoals in het meervoud hen versus hun, dat wel is ingevoerd).
Evenmin werd het voorstel van de Statenvertalers verwezenlijkt om een verschil te maken tussen sijn voor het bezittelijk voornaamwoord tegenover het werkwoord zijn. En tot slot spreken we ook nog steeds van tachtig, ondanks het voorstel van de schrijver Joost van den Vondel om tachentig te gebruiken naar analogie van zeventig en negentig.
Variatie onduidelijk
Natuurlijk hielden de 17e- en 18e-eeuwse gewone taalgebruikers zich niet keurig aan al die taalwetten, maar in drukwerken kregen die wel geleidelijk de overhand, ook door het onderwijs. Wil je het levende taalgebruik uit die periodes terugvinden, dan moet je goed zoeken, bijvoorbeeld, zo bleek onlangs, in oude notarisaktes. ‘Zo vond ik laatst een groot aantal scheldwoorden en spreektalige uitdrukkingen uit de 16e, 17e en 18e eeuw, waaronder het platte moerneuker uit halverwege de 18e eeuw. Dat soort woorden stond niet in de standaardboeken, en door deze vondst kon ik het eerste voorkomen van dit woord in het Nederlands met twee eeuwen vervroegen.’ Dat soort vondsten zijn zeldzaam; uit het verleden zijn voornamelijk officiële, gedrukte teksten overgeleverd, waar de regels wel werden gevolgd. ‘We weten dus niet goed hoe groot de variatie was, omdat we bijna alleen gedrukte teksten hebben en heel weinig brieven en dergelijke’, zegt Van de Sijs.
De mooie meisje, die…
En ook nu staat de taal niet stil. Volgens Van der Sijs zullen mensen het Nederlands van nu over een eeuw waarschijnlijk ook weer behoorlijk vreemd vinden. ‘Het is moeilijk met zekerheid te zeggen, maar ik vermoed dat het woordgeslacht dan verdwenen is of in ieder geval op een andere manier wordt ingedeeld’, voorspelt Van der Sijs. ‘Dat is eigenlijk al aan de gang. ‘De mooie meisje die…’ hoor je steeds vaker, ook onder moedertaalsprekers. ‘De’ is sowieso het lidwoord dat al het meeste gebruikt wordt – in 75 procent van de gevallen - en het zou heel goed kunnen gebeuren dat dat straks het enige wordt. In het Engels en Zuid-Afrikaans is dat al zo.’
De vorming van een standaardtaal is mensenwerk, is de belangrijkste boodschap van Taalwetten maken en vinden. ‘Het is goed om je te realiseren dat er behoefte bestaat aan een zekere regelgeving’, zegt Van der Sijs. ‘Maar die moet niet te strak zijn. Je kunt je in de standaardtaal uiten, maar ook in andere taalregisters. Die souplesse is heel goed en mooi. Ik hoop dat mensen door mijn boek minder gespannen raken bij het woord standaardtaal. Het onderwijs zou ook veel leuker worden als er minder nadruk werd gelegd op goed en fout maar meer op variatie en wat je daarmee kunt doen.’
Nicoline van der Sijs is als senior-onderzoeker verbonden aan het Instituut voor de Nederlandse Taal en als hoogleraar historische taalkunde van het Nederlands aan de Radboud Universiteit Nijmegen. Zij publiceerde diverse boeken over de geschiedenis van de Nederlandse taal, waaronder het Van Dale Groot Leenwoordenboek en het Chronologisch woordenboek. Haar laatste boek 15 eeuwen Nederlandse taal werd bekroond met de Nederlandse Taalboekenprijs 2020. Ze is oprichter van etymologiebank.nl en vaste medewerker van Onze Taal.
Taalwetten maken en vinden. Het ontstaan van het Standaardnederlands | Nicoline van der Sijs | ISBN 978 905615 713 5 | Gebonden | 624 pagina’s | € 39,95
Foto via PxHere.