‘Ik kan niet wegkijken van narigheid’
‘Ik kan niet wegkijken van narigheid’

‘Ik kan niet wegkijken van narigheid’

Maria van den Muijsenbergh voelt zich verantwoordelijk om bij te dragen aan een rechtvaardigere en betere wereld. Dus komt ze als huisarts en hoogleraar Gezondheidsverschillen op voor patiënten die minder mondig zijn, zoals daklozen en ongedocumenteerde asielzoekers. Ze doet dit vanuit een overtuiging die ze ook herkent binnen de Radboud Universiteit: elk mens telt.

We spreken elkaar na de diesrede, waarin theoloog Thomas Quartier sprak over roeping. Maria van den Muijsenbergh voelde zich geraakt door dat woord. ‘Roeping heeft te maken met passie. En ook met een beetje boven jezelf uitstijgen. Dat je ook probeert af en toe iets te doen omdat je het belangrijk vindt, terwijl je er misschien niet zo’n zin in hebt.’

Kun u van dat laatste een voorbeeld geven?

‘Ik heb een paar keer vluchtelingen in mijn huis opgevangen. Een halfjaar vier vrouwen. Later een jaar lang een Armeens gezin met twee tienerkinderen en onlangs nog drie maanden een Oekraïens gezin. Het viel me zwaar, je huis delen met vreemden die ook nog vaak getraumatiseerd zijn. Mijn kinderen zeggen: mam, doe dat nou niet meer. Maar als je hoort over mensen die morgen op straat komen te staan, dan zeg ik: kom maar. Niet meer met de verwachting dat het leuk is en ik zal het niet uit mezelf aanbieden, maar als het op je pad komt, moet je het gewoon doen. Dat is de keerzijde van je eigen rijkdom.’

U hebt dus zelf ook een roeping?

‘Ik denk het wel. Ik wil hartstochtelijk dat mensen die het slecht getroffen hebben in onze maatschappij, het een klein beetje beter krijgen. Dat heb ik van mijn katholieke opvoeding meegekregen. Mijn vader zei altijd: wij hebben het zo goed, dus we hebben een verantwoordelijkheid om mensen die het minder goed hebben, te helpen. Dat deden mijn ouders op allerlei manieren en ik voel diezelfde roeping om iets bij te dragen. Natuurlijk In het besef dat het allemaal maar ieniemienie en niet wereldschokkend is. Maar ik houd van de uitspraak, volgens mij uit de Talmoed: ‘Als je één iemand redt, dan red je de wereld’. Dat drijft me. En je ziet zoveel onrechtvaardige narigheid om je heen, ik kan daar niet van wegkijken.’

Is dat ook de reden waarom u zich als huisarts bekommert om daklozen?

‘Ja. Ik vind het ontzettend fijn om voor deze mensen huisarts te mogen zijn, omdat ik ze kansen kan bieden. Iets anders wat voor mij erg belangrijk is, is dat we er echt van doordrongen moeten zijn dat elk mens telt. Elk mens heeft bijzondere en mooie kanten, alleen zie je die bij de een wat makkelijker dan bij de ander. Dakloze mensen hebben verschrikkelijk veel problemen en vele daarvan hadden ze misschien kunnen voorkomen als ze het handiger of verstandiger hadden aangepakt. Ik zie ze op het moment dat ze er al erg aan toe zijn: verwaarloosd, vies, verslaafd. Maar als ik met hen in gesprek ga, zie ik stuk voor stuk mooie mensen, met een eigen verhaal en eigen wijsheid. En ik geef eerlijk toe, een reden dat het fijn is om hun dokter te zijn, is dat ze vaak nog echt lekkere, vette ziektes hebben. Een heel grote wond of een erg vieze ontsteking. Dat is gewoon heerlijk om te mogen behandelen. Maar veel belangrijker: als het me lukt ze het gevoel te geven dat er eindelijk iemand echt naar hen luistert, die hen de moeite waard vindt, dan gaan ze zichzelf ook een klein beetje meer de moeite waard vinden.’

Is het uw missie om hen van de straat te krijgen?

‘Mijn missie is hen te ondersteunen bij het realiseren van wat ze werkelijk willen in hun leven. Sommigen willen op straat blijven. Die zeggen: ‘Laat mij maar lekker In de polder in mijn tentje, daar heb ik geen last van prikkels. Maar ik zou wel graag een warme deken in de winter willen.’ Natuurlijk praat je erover of dat nu echt is wat ze willen. Maar ik heb helemaal niet de behoefte om mensen te veranderen. Laat mensen zijn zoals ze willen en laat mij hen daarbij een stukje helpen. Soms is dat helemaal niet iets medisch, maar help ik iemand met een brief voor zijn advocaat.’

Veel collega’s zullen zeggen: “Maria, je bent hartstikke gek om dat te doen.” Waar laat u zich door inspireren om het toch te doen?

‘Dat klopt, dat zeggen velen. Maar het mooie vind ik dat dit werk een appel doet op je hele persoon. Niet alleen op je medische vaardigheden en kennis, maar op alles wat je bent. Ik kan me voorstellen dat er mensen zijn die van zo’n daklozenspreekuur helemaal gedeprimeerd zouden raken. Want om nu te zeggen dat er veel mensen zijn die blijvend van de straat af raken, nee. Zijn er veel mensen die doen wat jij hun adviseert? Nee. Maar het is mijn karakter dat ik vooral die dingen zie die wél goed gaan. Dat ene gesprek waarin je echt contact hebt. Die man die je gaat vertrouwen en eindelijk zijn telefoonnummer wil geven. Mensen die, en dan schaam ik me haast, je heel erg dankbaar zijn omdat je hen geholpen hebt om een huis te krijgen of hun net even dat zelfvertrouwen gaf toen niemand hen meer zag zitten. Dat houdt me gaande.’

Als hoogleraar spande u zich in om kansen op gezondheid gelijker te verdelen. Waar gaat het dan precies om?

‘Er zijn grote gezondheidsverschillen tussen rijk en arm, tussen hoog- en laagopgeleid, tussen mensen met en zonder migratieachtergrond. Ik onderzoek wat we kunnen doen om die verschillen op te heffen of op z’n minst te verkleinen, door zorg voor álle mensen goed, effectief en toegankelijk te maken.’

Hoe ontstaan die verschillen? Kennelijk is het niet gewoon voor iedereen om naar een huisarts te gaan en geholpen te worden.

‘Veel mensen verkeren in sociaal ongunstige leefomstandigheden en kampen met problemen als geldzorgen, geweld, uitsluiting en eenzaamheid. Dat leidt tot chronische stress en die heeft nadelige effecten op de gezondheid. Stresshormonen verhogen de kans op chronische ziektes en tasten bovendien onze prefrontale cortex aan, het hersengebied dat je langetermijnbeslissingen bestuurt en zorgt voor overzicht in je leven. Deze mensen nemen vooral besluiten op korte termijn, ze maken bijvoorbeeld rekeningen niet open en eten ongezond. Ze krijgen er ook vaak een kort lontje door. Daar komt nog eens bovenop dat onze zorg helemaal niet bij hen aansluit. Die is gericht op mensen die de weg weten te vinden en helder kunnen vertellen wat ze mankeert. Bij hen gebeurt het veel vaker dan bij jou en mij dat de doktersassistente na hun verhaal denkt: volgens mij is hier geen dokter nodig. Specifiek voor vluchtelingen geldt dat ze in eigen land heel andere zorg gewend zijn. In de meeste landen heb je geen huisartsen, maar kom je direct in het ziekenhuis terecht en krijg je bijvoorbeeld heel snel antibiotica voorgeschreven. Deze mensen hebben weinig vertrouwen in huisartsen, want die zeggen dat het ziekenhuis of antibiotica niet nodig zijn.’

Wat kun u daartegen doen?

‘Als huisarts merkte ik al dat ik vaak niet goed wist wat mijn patiënten nu belangrijk vonden. Dat was voor mij de prikkel om onderzoek te gaan doen. Bij dat onderzoek betrekken we van meet af aan de doelgroep zelf: wat vinden jullie belangrijk en wat zijn de redenen dat je niet met psychische klachten naar de dokter gaat of niet meedoet aan bevolkingsonderzoeken? Vervolgens ontwikkelen we samen met hen oplossingen, zoals begrijpelijk voorlichtingsmateriaal of een training voor zorgverleners. Dokters moeten zich er echt van bewust worden dat er verschillende waarden en normen zijn. Voor veel migranten telt bijvoorbeeld de lengte van het leven zwaarder dan kwaliteit van leven. Dat moet je weten als arts. Naarmate de afstand in cultuur, maar ook opleiding, tussen jou en de patiënt groter is, moet je alert zijn op die verschillen. Persoonsgerichte zorg is essentieel: je moet altijd de zorg afstemmen op de persoon die voor je zit en dat kun je alleen maar doen als je die persoon vraagt: wat vind jij belangrijk en waarover maak jij je zorgen? Dat moeten we heel erg leren.’

Dat vraagt wel meer tijd, toch?

‘Dat zeggen mensen altijd, maar het goede nieuws is dat het uiteindelijk tijd bespaart. Patiënten komen minder vaak terug, omdat je ze beter hebt kunnen helpen. Ze worden ook minder vaak doorverwezen naar de tweedelijnszorg. Maar toegegeven, het eerste gesprek kost meer tijd. Wil je dit goed doen, dan moet ook de financiering van de zorg persoonsgericht worden. Nu krijg je voor elk consult en elke patiënt evenveel tijd en geld. Ik denk dat we veel meer toe zouden moeten naar een systeem waarbij de zwaarte van de problematiek of de moeite die iemand heeft om goede zorg te krijgen, meetelt. Het is bijvoorbeeld raar dat iedere diabetespatiënt standaard vier consulten per jaar krijgt. De een kan toe met één consult, een ander – die minder zelfredzaam is – heeft er misschien wel acht nodig. In de huidige financieringsstructuur kan dat niet, dan verlies je geld als je niet elke patiënt vier keer per jaar ziet. Bizar.’

Als zorgverzekeraars maar niet hun tarieven daaraan gaan aanpassen…

‘Dat is inderdaad een van de gevaren. Zo’n verzekeraar als Promovendum, die reclame maakt met lagere premies voor hoogopgeleiden, dat vind ik echt uit den boze. Dus moeten we landelijk goede afspraken maken, met solidariteit als uitgangspunt.’

Wat betekent voor u de identiteit van deze universiteit?

‘Ik herken mezelf als katholiek in deze universiteit. Ik zeg katholiek, maar ik besef zeer goed dat de meerderheid van onze studenten en medewerkers zich helemaal niet verbonden voelt met het katholicisme. Dat hoeft voor mij ook helemaal niet. Mijn drie kinderen zijn ook niet gelovig. Ik zie heel goed dat je het geloof niet nodig hebt om goede dingen te doen, laat staan om goede mensen te zijn. Dus ik zou niet willen dat mensen op de campus zich door het woord katholiek buitengesloten voelen. Maar voor mij heeft het geloof wel betekenis. Ik voel me erdoor gesteund en geïnspireerd.’

Waar zit die inspiratie in?

‘Die vind ik in de kernwaarden die heel mooi zijn verwoord in het evangelie en in de christelijke sociale leer. Dan gaat het er ten eerste om dat elk mens telt. Oftewel elke student en elke medewerker is anders en laten we kijken naar wat iemand nodig heeft om zich te ontplooien en zijn of haar roeping te vinden. Ten tweede: solidariteit. Doe het samen, heb oog voor de ander en steun de ander waar die het niet zelf kan. Als derde: subsidiariteit. Wat mensen zelf kunnen of wat op een eenvoudig niveau kan, laat dat vooral daar besloten en gedaan worden. Dus probeer zo min mogelijk stringente regels te maken, maar houd het bij enkele algemene principes. En als vierde, de bodem onder alles: de gemeenschap. Je leeft niet alleen voor jezelf, je leeft ook juist voor de ander. Samen maken we er wat mooiers van in dit leven. Dat is de draad in mijn leven en die herken ik erg in de sfeer van deze universiteit, in de zorg voor duurzaamheid en het streven naar inclusie en diversiteit. Ik ben echt heel trots om op deze universiteit te mogen werken.

Samen lopend over de campus wijst Van den Muijsenbergh diverse plekken aan die haar inspireren. De Studentenkerk, in het bestuur waarvan ze zit. “Dit is echt een plek die gelovige én ongelovige studenten ruimte biedt voor bezinning.” Ze wandelt ook graag door het groen naar het Berchmanianum, het voormalige jezuïetenklooster waar nu het college van bestuur en de algemene diensten van de universiteit zitten. “Ik houd erg van kloosters. Als kind kwam ik daar al vaak, omdat een oom en twee tantes van me in het klooster zaten. Ik vond het daar altijd fijn, de mensen waren heel aardig en het rook er altijd zo lekker. Een klooster straalt een enorme rust uit.’

Gaat u nu nog weleens naar een klooster om tot rust te komen?

‘Nee, eerlijk gezegd niet. Ik ben helemaal geen contemplatief type, juist druk en altijd bezig. Maar diezelfde soort rust vind ik wel zondags in de kerk. Daar denk je een heel uur lang gewoon aan niks of aan hogere zaken dan je werk of dagelijkse beslommeringen. Ik vind dat heel fijn.” De inspirerendste plek op de campus vindt ze het beeld van Titus Brandsma. Het staat voor haar symbool voor hoe je als mens en wetenschapper behoort te zijn.

‘Ik vind Titus Brandsma een prachtig voorbeeld van een wetenschapper die zijn geweten volgde en zich uitsprak tegen onrechtvaardigheid. Hij heeft zijn roeping ook in praktijk gebracht toen het heel moeilijk was; in de gevangenis en het concentratiekamp was hij een steun en voorbeeld voor andere gevangenen. En ja, hij heeft ook fouten gemaakt, keuzes waarvan je nu denkt: niet zo handig. Zo was hij kort aanhanger van Franco. Maar dat maakt hem een heilige van vlees en bloed. Dus ja, ik vind hem een mens om naar op te kijken.’

Een mens, zelfs een heilige, mag dus fouten maken?

‘Ja. Dat is een van de belangrijkste mantra’s in mijn leven. Je moet mensen altijd een tweede, derde en vierde kans geven. Dat probeer ik te doen voor daklozen en mensen zonder verblijfsvergunning. Velen van hen heb ben fouten in hun leven gemaakt, net als wij allemaal, en hebben die duur moeten betalen. Ik probeer ook onze studenten kansen te geven. Natuurlijk snap ik wel dat er allerlei regels zijn, maar ik probeer hen zoveel mogelijk te ondersteunen om hun talenten te verzilveren. Soms moet je tegen iemand zeggen: “Je bent niet in de weg gelegd om dokter te worden of er zijn omstandigheden die dat nu voor jou onmogelijk maken. Maar laten we samen kijken wat wel bij je past.”’

Kansen in plaats van belemmeringen, is Van den Muijsenberghs motto. Toen ze hoorde dat studenten met een migratieachtergrond veel vaker werden afgewezen tijdens hun coschappen, kwam ze in actie. 'Het gaat om studenten die geboren en getogen zijn in Nederland, even slim en met dezelfde vaardigheden als medestudenten en toch worden ze onbewust anders beoordeeld. Dat heeft er onder meer mee te maken dat meisjes met een migratieachtergrond wat bescheidener zijn dan, ik zeg het maar even met een cliché, de blonde paardenstaart die op hockey zit. Daardoor denken artsen vaker dat ze geen interesse hebben of het niet kunnen. En jongens met een migratieachtergrond willen zo graag laten zien hoe goed ze zijn dat ze wat agressief en te weinig zelfreflectief overkomen.'

Landelijk heeft Van den Muijsenbergh daarom met anderen een collectief voor diversiteit en inclusie in de geneeskunde opgericht. Ze is heel blij dat nu ook de Radboud Health Academy zich actief inspant om meer aandacht voor diversiteit in de hele opleiding te realiseren. Ze kan zich vreselijk boos maken over hoe moeilijk Nederland het vluchteling-artsen maakt om hun beroep uit te oefenen. 'We hebben het bijvoorbeeld over mensen die twintig jaar een volledig eigen chirurgpraktijk runden in Syrië of een vrouw die een grote kinderartspraktijk had in Afghanistan. Dus echt goede artsen. Ze moeten een enorm moeilijk artsexamen in het Nederlands doen, met veel basiskennis die je in de dagelijkse praktijk nauwelijks gebruikt. Hoe de nieren werken, bijvoorbeeld. Nou, dat moet je mij ook niet meer vragen. Ook het taalexamen is veel te streng, het vraagt een beheersing van het Nederlands die je alleen leert in langdurig contact met Nederlanders. Bij de voorbereiding op die examens krijgen ze nauwelijks ondersteuning, eerder tegenwerking, bijvoorbeeld van de Sociale Dienst. Deze mensen krijgen geen reële kans. Dat is zo’n verspilling van talent, terwijl we zo hard mensen in de gezondheidszorg nodig hebben.’

Wat zou uw oplossing zijn?

‘Naar mijn idee zouden we deze vluchteling-artsen meteen in een medische setting aan het werk moeten zetten, onder begeleiding. Bijvoorbeeld bij mij in de huisartspraktijk of in een ziekenhuis. Dan kun je zien wat iemands vaardigheden zijn en kunnen ze de taal leren en hoe de Nederlandse gezondheidszorg werkt. Op een gegeven moment is iemand zover dat hij zelfstandig kan functioneren. Dan geef je mensen kansen in plaats van het huidige principe “nee, tenzij je supergoed bent en kei- en keihard werkt”.’

Van den Muijsenbergh blijft hoopvol tegen de keer ingaan. “Ik zie dat er in onze maatschappij veel misgaat door regelgeving en procedures die onrechtvaardig uitpakken, waar ik me dan boos over maak. Tegelijkertijd zie ik zoveel mensen die gewoon uit naastenliefde iets doen voor daklozen en vluchtelingen. Dat vind ik heel hoopgevend en enorm motiverend.’

Tekst: Bea Ros. Foto's: Mona van den Berg

Contactinformatie

Thema
Zorg & Gezondheid, Diversiteit