Keetje op straat: Nederlandse klassieker vertaald uit het Frans
Keetje op straat: Nederlandse klassieker vertaald uit het Frans

Keetje op straat: Nederlandse klassieker vertaald uit het Frans

Keetje trottin (1921) is een Nederlandse klassieker die tot nu toe nooit in het Nederlands te lezen was. Geschiedkundige Anna Geurts werkte in haar vrije tijd acht jaar lang aan de vertaling van de Franse roman van Neel Doff over een arbeidersmeisje in het 19e-eeuwse Amsterdam, Keetje op straat getiteld. ‘Dit boek was destijds revolutionair.’

Acht jaar geleden. Anna Geurts – nu docent en onderzoeker bij Radboud Institute for Culture and History (RICH) – stelt in een leesgroep met vrienden voor om Keetje trottin te lezen, een roman over het Nederlandse arbeidersmilieu in de 19e eeuw. Geurts las het Franstalige origineel, haar vrienden de Nederlandse vertaling Keetje Tippel. ‘Halverwege de bespreking kwamen we erachter dat we twee verschillende boeken hadden gelezen. De Nederlandse vertaling bleek geen vertaling te zijn, maar een compilatie’, blikt Geurts terug. ‘Keetje Tippel is behoorlijk anders dan wat ik te lezen kreeg.’

Trilogie

Keetje trottin betekent ‘Keetje het loopmeisje’ en is het laatste boek van een trilogie: Jours de famine et de détresse (1911), Keetje (1919) en Keetje trottin (1921). De boeken werden geschreven door Neel Doff (1858–1942), die opgroeide in Holland en als tienermeisje met het gezin naar Antwerpen en daarna naar Brussel verhuisde. Daar ‘ontsnapte’ ze aan haar familie en werd schilders- en beeldhouwersmodel. In die artistieke wereld ontmoette ze haar eerste man, zoon van een notaris, en werd deel van de burgerij. Ze schreef boeken over Nederland, maar publiceerde in het Frans. Geurts: ‘In de jaren 20 en 30 werd ze opgepikt door mensen die een proletarische literatuur wilden promoten, waarvan ze als een van de voornaamste vertolksters wordt gezien. Ze is echter nooit echt bij de canon gaan horen.’

In de jaren 70 werden Keetje en Keetje trottin samengevoegd en bewerkt door Wim Zaal tot Keetje Tippel. ‘Het oorspronkelijke boek Keetje trottin bleek dus nooit helemaal vertaald te zijn naar het Nederlands’, zegt Geurts, die de afgelopen acht jaar in haar vrije tijd iedere zaterdag aan de vertaling werkte.

Revolutionair

Keetje trottin is een gefictionaliseerde autobiografie. Het gaat over de kindertijd van het arbeidersmeisje Keetje Oldema in het 19e-eeuwse Amsterdam. Haar ouders verhuizen steeds naar armoedige kelder- en zolderwoningen. Een groot deel van het leven van Keetje speelt zich op straat af. Op 8-jarige leeftijd wordt ze loopmeisje. Eerst brengt ze fabrieksarbeiders hun warme lunch, die ze ophaalde bij hun echtgenotes. Langzaam klimt ze op, werkt als loopmeisje voor een apotheek en uiteindelijk wordt ze loopmeisje voor een hoedenmaker.

Wie een romantisch verhaal verwacht over een dromerig Amsterdams meisje komt bedrogen uit. ‘Het verhaal is behoorlijk serieus’, zegt Geurts. ‘Er komen thema’s als vrouwelijke seksualiteit en homosociale aantrekking, maar ook een kinderleven in de sloppen en seksueel geweld in aan bod.’ Keetje trottin past bij een literaire stroming die eind 19e eeuw ontstond, waarbij vanuit het perspectief van een kind werd geschreven: Woutertje Pieterse (Multatuli, jaren 1860-70) De kleine Johannes (Frederik van Eeden, 1884), Het huisje aan de sloot (Carry van Bruggen, 1921), Kees de jongen (Theo Thijssen, 1923). De volwassen lezer weet vaak wel wat er aan de hand is, maar het personage heeft dat niet door. Zo levert Keetje hoeden aan mensen van wie de lezer denkt: dat zijn waarschijnlijk sekswerkers. Ze keuren haar ook alvast (‘Ze wordt nog wel een mooi exemplaar’), maar Keetje ervaart in de eerste plaats een compliment. Geurts: ‘Wat bijzonder is aan dit boek is dat we het verhaal zien door de ogen van een meisje - en dan ook nog eens een arbeidersmeisje – terwijl de schrijver zélf dat perspectief aan den lijve had ondervonden. Dat was destijds revolutionair. En het is helaas nog steeds een uitzondering.’

Fragment: Acht jaar oud - Keetjes eerste baantje

‘Dus als jouw Keetje het eten nou elke dag naar mijn man zou kunnen brengen, geef ik haar zeventien en een halve cent per week.[...]’Mijn moeder hield me van school voor deze mooie verdienste. Ik vertrok, de aardewerken pan in een luier geknoopt; hij helde naar rechts en naar links, de saus gutste ervan over. De met bomen omzoomde Schans keek uit op de grachten. Daar zat ik dan ratten achterna en boog me ver voorover over het water om te zien waar ze langs waren gekomen; ik was heel verbaasd dat ze onder water konden ademhalen... ‘Het zijn toch geen haringen, even kijken...’ en met een tak roerde ik in het water om te zien of ik er geen verdronken ratten mee kon opvissen... Dan weer trokken de klaprozen die zich op de kades ontvouwden mijn aandacht...Vaak kwam ik bij de fabriek aan als de man alweer met zijn werk begonnen was, in mijn linkerarm een boeket omarmend, mijn rechterarm vastgeklemd om de pan. Dan keek de man me aan. Ik voelde wel dat hij me vergaf, maar ook dat hij verdrietig was, en ik zei tegen mezelf dat ik het eten de volgende dag direct naar hem toe zou brengen en pas op de terugweg zou kijken wat er met de ratten in het water gebeurde.

Gelaagdheid

Het vertalen van het boek was niet makkelijk, vertelt Geurts. ‘Doff praatte in België veel met de hoge burgerij, ze liet zich inspireren door elitaire Franstalige literatuur uit Parijs, maar werd in het dagelijks leven omringd door Waals. En met dat gemixte Frans schrijft ze over een Nederlandse plek, met Nederlandse namen en verfranste Nederlandse uitdrukkingen, zoals ‘dat is geen spek voor je bek’. Die gelaagdheid maakte het soms best lastig.’

Een jonge Neel Doff.

En dan was het ook nog een historische roman die naar hedendaags Nederlands vertaald moest worden. Geurts: ‘Op een gegeven moment zegt Keetje dat ze boos is en ‘in de bovenbedstee klauterde’. Heeft ze het dan over een soort stapelbed-bedstee? Dat is heel ongebruikelijk. Of had het huis verdiepingen? Dat maakt veel uit, want het zou betekenen dat haar ouders op dat moment weer iets meer geld hadden.’

Wetenschappelijke publicaties

Geurts werkt ook aan een aantal wetenschappelijke publicaties over Keetje trottin. Eén daarvan verschijnt later dit jaar in het prestigieuze tijdschrift Signs: 'Flânerie as a Mode of Pleasure: Lessons from a Working-Class Flâneuse'. Een ander artikel gaat over het belang van lezen en literatuur voor Keetje. Het tweede boek van de trilogie, Keetje, ligt dus nog te wachten op een enthousiaste vertaler. Geurts: ‘Als iemand die dit leest dat wil doen? Het is hartstikke leuk, maar ik ben nu even met andere dingen bezig.’

De vertaling van Keetje op straat is mede mogelijk gemaakt door de Paul Hazard stichting en werd eind april uitgegeven door Uitgeverij IJzer.

Foto boven het artikel: Roman Kraft via Unsplash.  

Contactinformatie

Thema
Taal, Geschiedenis, Kunst & Cultuur