Literaire journalistiek: feit en fictie verpakt in feuilletons
Literaire journalistiek: feit en fictie verpakt in feuilletons

Literaire journalistiek: feit en fictie verpakt in feuilletons

Een oerconservatieve edelman, een progressief liberale intellectueel en een gevatte ruziezoeker. Dit soort figuren schreven negentiende-eeuwse kranten literaire krantenstukken vol ironie, dubbelzinnigheden en zelfspot. Hoewel je deze stukken, die naast de objectieve berichten in de kranten verschenen, moeilijk kunt vergelijken met hedendaagse columns, hebben ze een duidelijke overeenkomst: ze maakten veel los bij de lezer.

In de tweede helft van de negentiende eeuw verschenen naast objectieve berichten steeds vaker artikelen met literaire kenmerken. Deze artikelen hadden verschillende vormen. Reisverslagen, columns en een soort undercoverjournalistiek waarbij journalisten zich een tijdje in een gevangenis lieten opsluiten of een paar weken als zwerver leefden. Alle drie zijn varianten op het feuilleton, een tekstvorm waarbij de auteur gretig leent uit diverse journalistieke én letterkundige tekstvormen. In zijn boek Ook op de hoeken der straten neemt men zeer belangrijke levensverschijnselen waar toont letterkundige Rob van de Schoor het vervagende onderscheid tussen journalistiek en fictie en illustreert hij de vele verschijningsvormen van het feuilleton.

Dit doet Van de Schoor aan de hand van het werk van drie Haagse feuilletonisten. Frederik van Hogendorp was een oerconservatief die zijn stukken onder het alias Damas publiceerde. ‘Hij profileerde zich in zijn ‘Haagsche Omtrekken’ als een achttiende-eeuwse edelman die verlangde naar de tijd van voor de Franse revolutie.’ Carel Vosmaer daarentegen, was een progressief, liberale schrijver. ‘Tegenwoordig zouden we hem links noemen. Hij was een echte intellectueel die zich vanuit zijn kennis en belezenheid over allerlei onderwerpen uitsprak. Je kunt hem vergelijken met columnisten als Hugo Brandt Corstius en Max Pam.’ Vosmaer schreef zijn ‘Vlugmaren’ onder de naam Flanor.

Peter R. de Vries

‘De leukste stukken vond ik de Haagsche Penkrassen van J.A. de Bergh. Dat was een beetje een ruziezoeker die over de kleinste misstanden kon praten. Zo schreef hij eens over een scheefliggend rioolrooster waar een vrouw met kinderwagen klem kwam te zitten nadat ze even was afgeleid door een knappe voorbijganger. Die voorbijganger was De Bergh zelf.’ Tegelijkertijd deed De Bergh veel onderzoek voor zijn teksten. ‘Een soort misdaadjournalistiek, a la Peter R. de Vries, waarbij hij citeerde uit politierapporten die eigenlijk niet voor zijn ogen bestemd waren.’ Voor een van zijn stukken ging De Bergh ’s nachts onder het zeil van de Cremerbank kijken. Toen dit monument voor de prozaïst J.J. Cremer de volgende dag werd onthuld, had De Bergh er al uitgebreid over bericht.

In hun stukken combineren de drie schrijvers journalistiek uitzoekwerk met een literaire stijl. ‘Ze spelen onder meer met ironie, zelfspot en overdrijving. Als ze ergens iets van vonden, ergens boos of tevreden over waren, komt dat tot uiting in hun werk, maar het zijn gestileerde emoties.’ Van de Schoor noemt Van Hogendorps reactie op een positieve recensie in De Gids als voorbeeld. ‘Galant en heel beleefd, zoals van een op Frankrijk gerichte edelman kan worden verwacht, neemt hij het compliment met een kniebuiging in ontvangst.’

Dit werd niet overal begrepen. ‘Een jonge journalist van De Amsterdammer (tegenwoordig De Groene Amsterdammer) vond het ‘voetjevrijen’ tussen Van Hogendorp en De Gids onappetijtelijk, niet bewust van het feit dat een bedankje in deze stijl juist passend was voor Van Hogendorps alter ego Damas.’ Tegelijkertijd, benadrukt Van de Schoor, wilde die journalist deze stijl helemaal niet begrijpen en zocht hij slechts een reden om de oudere Van Hogendorp aan te pakken.

Podcast

Het zal Van Hogendorp niet hebben geschokt. Hij kreeg wel vaker negatieve reacties. Toch verbaasde het hem wel dat krantenlezers zo vlug geprikkeld waren en meteen een briefkaart met een reactie stuurden. ‘Je zou de briefkaart kunnen zien als negentiende-eeuwse variant op Twitter, maar dan met beschaafder commentaren.’ Daarbij verscheen je reactie als je niet uitkeek in een volgend artikel. ‘De Bergh hield daar van. Hij publiceerde de kritiek zelf en gaf er zin voor zin commentaar op.’

Hoe het werk van de drie feuilletonisten anno 2021 zou vallen, durft Van de Schoor niet te zeggen. ‘Vandaag de dag lijken mensen minder gevoel voor ironie te hebben. Ze nemen wat ze lezen erg letterlijk of zetten het weg als sarcasme. Bovendien: in hedendaagse kranten vind je nog weinig van zulke gezaghebbende opiniemakers. Het wemelt van de columnisten, maar hun columns hebben minder inhoud en gewicht.’ Tegelijkertijd ziet Van de Schoor die mix tussen journalistiek en literatuur wel terug in andere genres. Marcel van Roosmalen die in een podcast door Arnhem loopt en ogenschijnlijk feitelijk verslag doet, terwijl hij eigenlijk alles bij elkaar verzint.’

Foto: De Groenmarkt in Den Haag, circa 1900. Bron: Haags Gemeentearchief.

Contactinformatie

Thema
Media & Communicatie, Geschiedenis, Kunst & Cultuur