Tekst: Bea Ros. Dit artikel verscheen eerder in Radboud Magazine #71. Foto: Bert Beelen
Ze was van meet af aan actief in de Landelijk Netwerk Vrouwelijke Hoogleraren ('ja, zo’n vereniging is nog altijd nodig, want er heerst nog steeds een machocultuur in de academie'). Verder riep maandblad Opzij haar in 2019 uit tot meest invloedrijke vrouw in Nederland, staat ze in het boek van Eva Jinek over powervrouwen en was ze in 2020-2021 VN-vrouwenvertegenwoordiger. De vrouwenzaak, zo mogen we constateren, is voor Angela Maas niet onbelangrijk. Terugkijkend op haar loopbaan trekt Maas de lijnen nog verder door. Van haar engagement als student met de tweede feministische golf – 'ik zat in allerlei feministische praatgroepen, femsoc en zo' – tot en met haar werk als cardioloog met hart voor vrouwen. 'Ik heb die affiniteit met het feminisme vervlochten in mijn werk. Zonder dat ik dat nou van plan was, maar terugkijkend voelt het goed. Daar herken ik mezelf in.'
Werd u ook door mannelijke collega’s gezien als feminist?
'Nou, ik kreeg vooral hoon: ach gut, die vrouwen, altijd wat met ze. Ik herinner me een cardioloog die zei: ‘Ik moet kotsen van het woord gender.’ Ik dacht: wen er maar aan en doe er je voordeel mee. Want cardiologie is wereldwijd hét grote voorbeeld dat sekse en gender er heel veel toe doen. Aan de gangbare fietstest om hart- en vaatziekten aan te tonen, heb je bij vrouwen bijvoorbeeld vrijwel niets. Als je dat niet weet, doe je hun klachten snel af als gezeur.'
Deed u dat zelf in het begin ook?
Lichtelijk schuldbewust: 'Ja. Ik zei ook tegen vrouwen: nee, de klachten die u heeft, kunnen niet van het hart zijn. Ik nam over wat ik had geleerd en wat de norm was. En dan zit je een paar jaar in de praktijk en gaat het steeds meer knagen: ja maar, het klopt niet.'
Wat was voor u de ommezwaai?
'Er werd een keer een patiënt heel boos: u kletst maar wat! En ze had gelijk. Het voelt niet goed dat je dingen niet weet en dan maar wat zegt. Terwijl jij de dokter bent op wie ze moeten kunnen vertrouwen. Vrouwen kwamen bij ons met klachten en dan deden we gewoon de standaardonderzoeken. Die zijn ontwikkeld voor de witte man en bleken dus niet te kloppen voor vrouwen. Maar wij zeiden dat die vrouwen niet klopten. We weten inmiddels dat vrouwen, anders dan mannen, minder vaak vernauwingen in de kransvaten krijgen, maar vaker last hebben van vaatkramp. Het zijn dus geen blokkades, maar functiestoornissen.'
U was begin 2022 een van de experts in de NPO-serie Reference man, over de witte man als norm op tal van terreinen. Geldt dat in de gezondheidszorg nog steeds?
'Er is gelukkig veel veranderd en we komen steeds meer te weten over hoe verschillend ziektes zich bij vrouwen en mannen kunnen uiten. Toch hoor ik ook nog mensen zeggen: ik geloof er niet zo in. Maar het gaat niet om geloof, het zijn voortschrijdende wetenschappelijke inzichten. Als je kijkt naar onbegrepen klachten, dan gaat het bij 80 procent om klachten van vrouwen. Dat komt omdat we van oudsher die witte man als norm hebben gesteld. Neem schildklierproblemen, 80 procent betreft vrouwen. Ik vraag weleens aan endocrinologen hoe dat komt. Ja, dat weten we niet. Maar dat is een heel interessante en relevante vraag. Wat hebben mannen dat ze het niet krijgen, en kunnen we daar iets uit halen om vrouwen te helpen? Juist door naar verschillen te kijken, kun je behandelingen verbeteren. Gelukkig is daar steeds meer oog voor. Ik zie bijvoorbeeld dat Bas Bloem [hoogleraar Neurologische bewegingsstoornissen, red.] goed bezig is met genderverschillen bij parkinson. Een paar jaar geleden vroeg ik hem ernaar en zei hij: o, daar heb ik nog nooit over nagedacht. En nu heeft hij daar diverse promovendi op gezet.'
Vleugels
In 2003 zette Maas in het ziekenhuis van Zwolle, als eerste in Nederland, cardiologische spreekuren voor vrouwen op. Aanvankelijk juichten haar mannelijke collega’s dat toe: dan sturen we alle lastige vrouwen naar Maas. 'Maar du moment dat het een beetje succesvol werd, gingen ze touwtjes spannen en kuilen graven. Ik heb moeten leren om me daar op een goede manier overheen te zetten. In het begin was ik vooral boos en gefrustreerd. Ik wilde iedereen veranderen. Maar aan dode paarden moet je niet trekken, je kunt er beter langs manoeuvreren. Ik heb geleerd om de hoeken op te zoeken waar de energie zit en de energievreters te omzeilen.'
Krap tien jaar later, in 2012, werd ze benoemd op de eerste leerstoel Vrouwencardiologie. 'Het hoogleraarschap heeft me vleugels gegeven. Daarvoor was ik heel lang een roepende in de woestijn. Ik ben vrij laat gepromoveerd, op mijn vijftigste. Uiteindelijk begreep ik dat ik, om serieus genomen te worden, de wetenschap in moest.'
Waar bent u trots op?
'Dat we het thema vrouwencardiologie vaart hebben kunnen geven en echt vooruitgang hebben geboekt. Zo is inmiddels in internationale richtlijnen opgenomen dat je vrouwen die tijdens hun zwangerschap een hoge bloeddruk hebben gehad, in de gaten moet houden. Want het kan een aanwijzing zijn voor een hoger risico op latere hart- en vaatziekten. Behalve met de gynaecologen werken we ook steeds meer samen met de oncologen, omdat chemo en bestraling bij onder meer borstkanker op korte en langere termijn kunnen zorgen voor een verhoogd risico op hart- en vaatziekten. Verder doen we sinds enkele jaren binnen het Radboudumc gericht onderzoek naar manieren om vaatkrampen goed te diagnosticeren. We hebben daarin in Nederland een voorbeeldfunctie. Dus ja, daar ben ik trots op, want het gaat uiteindelijk om betere zorg voor vrouwen.'
Missie voltooid?
'Mijn rol was die van breekijzer, iemand die af en toe misschien wat ondiplomatiek dingen probeerde te forceren. Als je alleen maar aardig en vriendelijk bent, krijg je niet zoveel voor elkaar. Ik ben heel blij dat anderen nu vol overtuiging het stokje overnemen. Mijn geluid is gehoord. Dat is een mooi moment om van het podium te verdwijnen. Nou ja, niet helemaal, want ik blijf me onder meer bezighouden met een specifiek type hartinfarct dat bij jonge vrouwen voorkomt. Dat is een kindje van me dat ik nog moeilijk los kan laten.'
Waar gaat het precies om?
'We zien steeds vaker bij vrouwen tussen de veertig en zestig jaar een hartinfarct in de vorm van een scheur in hun kransvat. Als je beter naar die groep kijkt, zie je dat het bijna allemaal hoogopgeleide vrouwen zijn die druk zijn om alle ballen in de lucht te houden. Ze willen alles goed doen en neigen naar perfectionisme. En dan plotseling op zaterdagavond, terwijl ze rustig zitten, pats, scheurt dat bloedvat. Ik zit in een Europese groep die deze gevallen registreert en heb nu een bestand van zo’n 340 patiënten, waarvan 94 procent vrouw.'
Herkent u zichzelf in dat vrouwprofiel?
'Tot op zekere hoogte. Maar ik heb één gunstig kenmerk: ik ben geen perfectionist. En dat is net de bottleneck. Ik heb patiënten die niet goed kunnen slapen als de kopjes in de kast niet allemaal met de oortjes dezelfde kant op staan. Ja, dan wordt het leven lastig. Vrouwen moeten leren dingen los te laten. Ook met de kinderen. Ik dacht ook weleens als mijn man voor de kinderen zorgde: wat zien ze eruit! Rare klerencombinaties, vieze vlekken. Maar ik heb er nooit iets van gezegd. Want hoe erg is dat nou helemaal? Dus leer dat af en maak het jezelf niet zo moeilijk. Ik ben, denk ik, niet geschikt voor een burn-out of een infarct. Ik heb wel een beetje een hoge bloeddruk, dat zit in onze familie. Gelukkig kun je daar met de juiste medicijnen heel oud mee worden.'
Wat staat ons aan nieuwe ontwikkelingen te wachten?
'Waar ik me zorgen over maak, is de toenemende groep transgenders. Dat heeft medische gevolgen. Een transgendervrouw moet bijvoorbeeld een leven lang oestrogeen slikken en bij hen neemt daardoor de kans op trombose toe. Dat is wezenlijk anders dan een cis-vrouw die vanaf haar vijftigste hormonen gaat slikken vanwege overgangsklachten. Die heeft vooral het eerste halfjaar een verhoogd risico op trombose. Ook de kans op hart- en vaatziekten is bij transgenders veel groter. Daar moeten we meer zicht op krijgen. Verder moet er veel meer samenwerking komen tussen de diverse vakgebieden. We praten wel over ontschotting, maar in de praktijk valt dat nog tegen. Terwijl het wel heel belangrijk is. Neem een vrouw die gedotterd is en later borstkanker krijgt. Wat betekent dat voor de behandeling en medicatie? Het is te lang zo geweest dat iedere specialist een stukje deed, maar de patiënt deelt zichzelf niet op in partjes. Je moet kijken naar heel de mens.'
Bent u door de jaren heen een andere dokter geworden?
'Ja, dat heeft ook te maken met holistische zorg. Vroeger zei ik: u moet een nieuwe hartklep. Nu luister ik ook naar wat de patiënt wil. Als iemand zegt: ‘Ik heb eigenlijk wel een mooi leven gehad, het hoeft voor mij niet meer’, dan vind ik dat heel legitiem. Ik heb het zelf meegemaakt met mijn vader, die dement werd. Zijn wens was heel duidelijk: ik wil nooit meer naar een ziekenhuis. Ik heb hem een keer ’s avonds uit een ziekenhuis gehaald, met schreeuwende dokters die zeiden dat ik nooit meer terug mocht komen. In zijn tehuis werd hij fantastisch opgevangen: meneer Maas, we hebben nog een lekker hapje eten voor u. Dat is kwaliteit van leven. Als alles onder je wegglipt, dan wil je een beetje liefde, warmte, gezelligheid en iets lekkers te eten. Waar ik altijd moeite mee heb gehad, zijn artsen die zeggen: ik kan niets meer voor u doen. Ook al kun je iemand niet meer beter maken, je kunt altijd iets voor iemand betekenen, al is het alleen maar even luisteren. Dat betekenisvol zijn, dat is de rijping van jezelf als arts. Dat je het lef hebt om richtlijnen opzij te schuiven en te kijken: wat heeft deze persoon nou nodig? En natuurlijk moet je verantwoorden waarom je afwijkt van de richtlijnen. Voor goede zorg zijn richtlijnen heel belangrijk, maar ze moeten geen keurslijf worden waardoor we de mens achter de patiënt vergeten.'
Tijdens haar afscheidssymposium op 22 april laat Angela Maas Mindlab vertonen, een film van Theatermakers Radio Kootwijk over macht en hiërarchie in de academische wereld.
Laatste woord
'Verdiep je in dingen waar je in eerste instantie aversie tegen hebt, zoals de rol van gender. Het vermeerdert je kennis en dan kan aversie omslaan in plezier. En daar ben je nooit te oud voor. Laten we verder kijken hoe we de cultuurgrenzen tussen medische specialismen kunnen openen, zodat we betere zorg kunnen leveren aan mensen.'