Politieke verandering vertaald in standbeelden van Romeinse keizers
Politieke verandering vertaald in standbeelden van Romeinse keizers

Politieke verandering vertaald in standbeelden van Romeinse keizers

Tussen circa 50 voor Christus en 400 na Christus werd het Romeinse rijk geregeerd door meer dan vijftig keizers. Elke keizer liet standbeelden en bustes van zichzelf maken die overal in het Romeinse rijk te zien waren. Hoe de keizers werden afgebeeld – in toga bijvoorbeeld, of met lange baard, met rimpels, in heroïsch naakt – is representatief voor politieke veranderingen, laat historicus Sam Heijnen zien.

Een Romeinse keizer kon niet overal tegelijkertijd zijn. In een wereld zonder massamedia zorgde hij er daarom voor dat standbeelden en bustes van hem overal in het Romeinse rijk te zien waren. Hoe de keizers werden afgebeeld was constant onderhevig aan historische veranderingen. Zo kozen keizers in de derde eeuw vaak voor beelden met een strenge blik. Dat werd gewaardeerd door de Romeinse soldaten, door wie ze vaak waren gekozen.

Historicus Sam Heijnen analyseerde voor zijn onderzoek de beelden van Romeinse keizers tussen circa 50 voor Christus en 400 na Christus om een antwoord te vinden op de vraag: hoe werden keizerlijke portretten gebruikt om veranderingen in de keizerlijke heerschappij begrijpelijk te maken? Voor zijn onderzoek stelde Heijnen zelf de Roman Imperial Portraits Dataset samen: een dataset van zo’n 2140 Romeinse keizerportretten. ‘Veruit de meeste overgeleverde keizerportretten zijn uit marmer gebeiteld’, vertelt Heijnen. ‘Dat toont aan dat beelden van meer kostbare materialen zoals brons, zilver en goud vaak werden omgesmolten. Desalniettemin kan mijn dataset waardevolle inzichten verschaffen in de ontwikkeling van politieke representatie in de oudheid.’

Continuïteit

Heijnen keek onder meer naar de officiële ‘portrettypen’, het prototype van het keizerportret dat met toestemming van de keizer en zijn getrouwen werd uitgevaardigd om vervolgens op grote schaal gereproduceerd te worden in het Romeinse rijk. Heijnen: ‘Veruit de meeste keizers volgden de beeldtaal van hun directe voorganger om het voortbestaan van de keizerlijke macht te laten zien. Keizers als Augustus en Constantijn lieten zelfs al tijdens hun keizerschap portrettypen voor hun opvolger uitvaardigen waarvoor ze zelf als voorbeeld dienden.’

Keizers grepen ook terug op voorbeelden uit het verleden. Zo waren de haarlokken over het voorhoofd van keizer Gallienus (253-268 na Christus) nauwkeurig gemodelleerd naar het voorbeeld van die van keizer Augustus (27 voor Christus – 14 na Christus). Gallienus werd zo gepresenteerd als een ‘nieuwe Augustus’. Continuïteit was dus heel belangrijk, constateert Heijen. ‘Tegelijkertijd werden er ook nieuwe elementen geïntroduceerd, naast de traditionele patronen van representatie. De bestaande beeldtaal werd dus steeds ‘herijkt’.’

Toga, militair pantser of heroïsch naakt

Ook onderzocht Heijnen welke lichaamstypen dominant waren in bepaalde perioden en waarom. Hij identificeerde er drie: de keizer afgebeeld in toga, in militair pantser, of in heroïsche gedaante.

‘Er lijkt een duidelijke voorkeur te zijn geweest voor de toga en het heroïsch naakt in de eerste eeuw na Christus. In de tweede eeuw en het begin van de derde eeuw zijn standbeelden en busten in militair ornaat juist oververtegenwoordigd’, vertelt Heijnen. ‘Onder meer het politieke klimaat speelde een rol. Na de burgeroorlogen van de late republiek, koos Augustus er bijvoorbeeld voor de nadruk te leggen op zijn civiele en religieuze daden, en zijn militaire imago af te zwakken. Zijn beelden waren vooral met toga en heroïsch naakt. Vanaf keizer Hadrianus (117-138 na Christus) werd in standbeelden en busten weer vooral de voorkeur gegeven aan het militaire borstpantser. In het geval van Hadrianus representeerde dat voorspoed en overwinning, ondanks dat hij nauwelijks betrokken was bij militaire campagnes.’

Locaties

Waar de standbeelden en bustes ooit stonden, is maar van ongeveer 20 procent te achterhalen, zegt Heijnen. Maar daaruit blijkt wel dat ze in alle voornaamste gebouwen en locaties van de Romeinse samenleving stonden, zowel publiek als privé. In lokale gemeenschappen ontstonden er  specifieke voorkeuren voor bepaalde formaten of typen standbeelden. ‘In sommige gevallen werden nieuwe portretten van de keizer tot op de laatste centimeter nauwkeurig gespiegeld aan al aanwezige keizerportretten om een coherent geheel te krijgen’, vertelt Heijnen. ‘Er bestond blijkbaar een behoefte om lokale gewoontes in stand te houden. Het eren van de Romeinse keizer was of werd een lokale ‘traditie’.’

Verandering was verdacht

De Romeinse wereld werd gedomineerd door traditie. Verandering was verdacht. Verschillende groepen in de Romeinse samenleving hadden uiteenlopende verwachtingen over hoe een keizer eruit kon of moest zien. ‘Het was van cruciaal belang dat keizers zich aan deze verwachtingen hielden’, zegt Heijnen. ‘Als zij dat niet deden, namen zij een risico. Nero's haardracht en corpulentie, Hadrianus' baard, Caracalla's strenge blik en Constantijns diadeem waren misschien niet ongekend in de Romeinse samenleving als geheel, maar het waren zeker 'nieuwe' uitingen op het gebied van de keizerlijke portrettering. Dit waren ook precies de aspecten die door antieke auteurs negatief werden beoordeeld. Traditionele beeldtaal was nodig om politieke veranderingen op een begrijpelijke wijze te communiceren.’

Foto ter illustratie: Murati via Pixabay 

Contactinformatie

Thema
Geschiedenis, Kunst & Cultuur, Politiek