De in 2015 gedecentraliseerde Jeugdzorg bracht alle taken op de schouders van de gemeentes, die daarop slecht waren voorbereid. De gemeente Nijmegen zat echter niet bij de pakken neer, en ging in samenwerking met onder meer de universiteit de hiaten in kennis en infrastructuur te lijf. Praktijkvragen werden onderwerp van onderzoek van Jan-Kees Helderman, die in het vooruitzicht van zijn oratie op 10 november aan de Radboud Universiteit de balans opmaakt van zeven jaar decentrale Jeugdzorg. ‘Er is reden voor gematigd optimisme.’
De rommelige decentralisatie van de Jeugdzorg is inmiddels spreekwoordelijk. Wat is de kernfout? ‘In elk geval niet de intentie van de decentralisatie: die was goed, door de zorg dichterbij de burger te willen brengen. Maar vrijwel alle partijen begonnen er in 2015 heel naïef aan. Alles moest opnieuw worden bedacht en ontwikkeld. Daar kwam bij dat het rijk aan gemeenten een efficiencykorting van vijftien procent oplegde. De gedachte was: gemeenten zitten dichter op de problematiek en kunnen dus makkelijker en goedkoper werken.’
Uw oratie belooft een positief geluid, maar de Tweede Kamer kwam vorige maand weer woorden tekort over de misstanden, onder meer over de lange wachtlijsten.‘De wachtlijstproblematiek is zeker nog ernstig voor sommige vormen van jeugdzorg. Daar zoeken gemeenten en zorgaanbieders nu bovenregionale oplossingen voor, zodat jeugdigen sneller op de juiste plek komen. Ik begrijp de kritiek, want er is nog ontzettend veel te doen. Sociaal beleid is een oneindig groot experiment waarmee je nooit klaar bent. Wel denk ik dat in de afgelopen zeven jaren meer is bereikt dan in de decennia ervoor. Al baart de armoedegolf die er nu aankomt me wel zorgen: dat is echt een uitslaande brand.’
Maar u straalt vooral optimisme uit. Waarop stoelt die?‘Ik ben geen geboren optimist, maar ik zie eenvoudigweg geen andere gemoedstoestand die ons zinvol verder brengt. In de gesprekken met de partners in deze regio en ook elders in het land domineert de bevlogenheid. De passie en hoop die alle deelnemers uitstralen geeft veel reden om optimistisch te zijn. Overal doen mensen hun stinkende best. De zorg is een probleem van ons allemaal geworden. De groeiende kennisuitwisseling is daarbij cruciaal. De praktijk is geholpen met ons onderzoek en op mijn beurt zou ik zonder de input van de andere partijen mijn werk niet kunnen doen.’
Uw oratie op 10 november zet de kennisuitwisseling centraal. Wat is het geheim?‘Verwacht geen onthulling van geheimen. Onze verzorgingsstaat bevindt zich nu eenmaal in een kritieke transformatie, met tal van onzekerheden: inhoudelijk, professioneel, institutioneel en zelfs op constitutioneel vlak. Mijn oratie gaat over de vraag hoe je een lerend stelsel voor deze transformatie ontwikkelt en bestuurt. Daarvoor heb je een infrastructuur nodig, waarbij je in elkaar investeert en elkaars werelden leert kennen. Wij leren van de mensen die met beide voeten in de praktijk staan en omgekeerd leren zij van ons, én van elkaar. We zijn allemaal lid van dezelfde leer- en onderzoekgemeenschap. Het belang hiervan valt onmogelijk te overschatten. Zoals in de negentiende eeuw de sociale problematiek met succes is aangepakt, zullen we ook nu de sociale kwesties van deze tijd moeten aanpakken.’
Photo by Cori Rodriguez via Pexels